CD: Luther. The noble art of music (Utopia & InAlto)

De zangers van Utopia en de blazers van InAlto hebben de handen ineengeslagen om een programma ter ere van Luther op te nemen, omdat Luther de muziek zo hogelijk geëerd heeft. Aan de hand van drie teksten laten ze horen hoe in het voetspoor van Luther componisten daar in de loop van de 16de eeuw (met uitlopers naar de 17de eeuw: Praetorius)  muziek van gemaakt hebben: van een bicinium tot 10-stemmig drie-korig, maar merendeels vierstemmig met een cantus firmus). In het booklet (David J. Burn) wordt dit in het Engels, Frans en Duits uitgelegd.

De keuze is gevallen op Psalm 130Aus tiefer Not (De profundis clamavi), een van de eerste Psalmen die Luther in het begin van zijn liturgische hervorming heeft berijmd (winter 1523 deed hij een oproep uitgaan aan bevriende auteurs om hem bij te staan bij het berijmen van de belangrijkste psalmen). De prachtige phrygische melodie die erbij hoort verschijnt voor het eerst in 1524 in het Enchiridion.

Als tweede komt het gebed des Heren aan bod, Vater Unser, waarna de Paassequens Victimae Paschali Laudes aan bod komt die Luther op zijn karakteristieke vrijmoedige wijze omdichtte tot het lied Christ lag in Totesbanden. Hij combineert hier elementen uit Victimae met het Middeleeuwse Paaslied Christ ist erstanden. Ook dit lied verschijnt voor het eerst in het Erfurter Enchiridion uit 1524

Josquin Desprez (‘Der Noten Meister’, dixit Luther) mag telkens de blokken inleiden met een motet.

Er wordt zorgvuldig gezongen, en gespeeld. De zangers zijn goed op elkaar afgestemd en de blazers leveren heel vezorgd, cantabile, spel af. Het nadeel is dat het allemaal wel erg beheersd en ernstig klinkt. Meer afwisseling in de bezetting had hier al wat kunnen verhelpen. En waarom zo vaak a capella? of enkel instrumentaal? Juist de flexibiliteit in de uitvoering (elke stem is speel-/zingbaar) kenmerkt de 16de en 17de eeuw. Ook zou de keuze voor een meer balladesk lied van Luther niet misstaan hebben, want ook daarin komt de ‘noble art of music’ tot ontplooiing. Enkel bij Praetorius (laatste stuk van de cd) komt – en in de live-versie, die ik mocht meemaken was dat nog meer het geval – komt er beweging in, begint het bloed sneller te stromen en stijgt het hart omhoog. Jammer dat dat op deze cd niet meer gebeurt, want ik denk toch dat het dàt is wat Luther bedoelde als hij zo lovend schrijft over de hoge waarde van de muziek. Niet zozeer de ‘sereniteit’, maar ‘blijdschap’, niet enkel diepe gevoelens, maar ook een glimlach, juichkreet, een schaterlach.

Volgende keer misschien? Want ze kunnen het. En zou ik zeggen: nodig dan ook – naast de bazuinen en cornetten – ook strijkers en blokfluiten en wat al niet meer uit, en zet die in bij de uitvoering van Luthers geestelijke muziek.

tracklist:

1]  Douleur me bat – Josquin Desprez   02:49
2]  De Profundis Clamavi – Josquin Desprez    04:02

Aus Tiefer Not schrei ich zu dir
3] Mattheus Le Maistre (verse 1)   01:10
4] Mattheus Le Maistre    01:21
5] Johann Crüger (verse 2)   00:51
6] Arnoldus de Bruck    01:05
7] Lupus Hellick (verse 3)    01:26
8] Michael Praetorius (verse 5)   04:18
9] De Profundis Clamavi – Ludwig Senfl 05:45 

10] Plaine de dueil – Josquin Desprez 02:29

11] Unser Vater in den Himmeln – Balduin Hoyoul  02:24
12] Pater Noster – Josquin Desprez   04:08

Vater Unser in Himmelreich
13] Anonymous (verse 1)  00:47
14] Johann Walter (verse 5)  01:11
15] Caspar Othmayr (verse 6)  01:08
16] Johannes Eccard (verse 9)  01:03

17] Verleih uns Frieden – Anonymous 01:09
18] Victimae Pascali Laudes – Josquin Desprez  03:10

Christ Lag in Todesbanden
19] Balduin Hoyoul (verse 1)  02:02
20] Caspar Othmayr (verse 2)  01:03
21] Johann Walter (verse 5)  01:24
22] Johann Walter    02:02 Victimae Pascali Laudes
23] Orlandus Lassus     04:03
24] Michael Praetorius     06:20

www.utopia-ensemble.be

Griet De Geyter – soprano Bart Uvyn – alto Adriaan De Koster – tenor Lieven Termont – baritone Bart Vandewege – bass

www.inalto.fr

Lambert Colson – cornetto Charlotte Van Passen – trombone Guy Hanssen – trombone Bart Vroomen – trombone Adam Woolf – trombone Alice Foccroulle – soprano

Nun freut euch lieben christen g’mein (Luthers tweede lied)

Verheugt u christenen tesaam (LvdK 402)

Als we de geschiedenis volgen van Luthers’ Liedcreaties, dan is dit lied waarschijnlijk zijn ‘tweede vrije lied’. (Ein neues Lied wir heben an is het eerste). Ook dit is een ballade of zoals men het in het Duits zegt: een Zeitungslied (gezongen gazet).

Het lied werd door Luther oorspronkelijk als Kontrafaktur bij een Paasprocessielied geschreven (de melodie hiervan in het Erfurter Enchiridion), maar reeds kort na de publicatie schiep hij (?) een vrolijker melodie met fraaie sprongen en ritme. Het lied dient duidelijk de verkondiging van het evangelie, de catechese. Het verscheen als een ‘Einzeldruck’ een liedblad, dat al snel langs markten, straten tot in menig huis z’n weg vond (Fliegende Blätter).

Zo zag de ‘Einzeldruck’ er waarschijnlijk uit. Bewaard in de layout van het Achtliederbuch uit 1524 (zie elders op deze site als digi-bladerboek)

Hij vertelt in dit lied in de ik-vorm welke aanvechtingen en angsten hij heeft moeten doorstaan, zolang hij probeerde zichzelf te redden. Gelukkig kon God het niet langer aanzien en zond zijn zoon. In de goede traditie van de Psalmen is het ‘ik’ hier boven-individueel en is Luthers persoonlijke weg exemplarisch bedoeld.

Het lied is zo levendig omdat er op een heel gewaagde (blasfemisch, zullen sommigen toen en nu zeggen) manier een gesprek tussen God de Vader en Jezus wordt geëvoceerd, waarbij God uitroept dat hij het nu echt niet langer kan aanzien hoe die mensen aan het tobben zijn en zijn Zoon de opdracht geeft er iets aan te doen. Mystiek klingt de 7de strofe  ,,Denn ich bin dein, und du bist mein; und wo ich bleib, da sollst du sein”. Bruidsmystiek die verrijkt wordt met Luthers leer van de ‘Vrolijke Ruil’ uit zijn boekje ‘Von der Freiheit eines Christenmenschen’ .

Net als in zijn eerste lied ,,Ein neues Lied wir heben an” heeft Luther een strofe van zeven regels gekozen. Capella de la Torre en een ‘straatzanger’ – street-artist avant la lettre –  brengen het lied in volgende video binnen de context van Neurenberg, 1523. Het was verboden, maar men bleef het zingen…

Voor de Duitse tekst, zie onderaan de pagina. Hier de vertaling van Ad den Besten zoals die in het Liedboek voor de Kerken staat:

1 Verheugt u, christenen, tesaam!
Laat ons van vreugde springen
en zegenen Gods grote naam;
laat ons de Heer bezingen,
die ons zo machtig heeft bevrijd,
die voor der mensen zaligheid
de hoogste prijs betaalde.

2 De duivel had mij in zijn macht,
de dood stond mij voor ogen;
de schulden hebben dag en nacht
zwaar op mijn ziel gewogen.
Steeds dieper zonk ik in ‘t moeras,
omdat ik niets dan zonde was,
in ijdelheid geboren.

3 Mijn werken brachten mij geen baat,
hun grond was boos begeren;
mijn vrije wil was niets dan haat
tegen de wil des Heren.
Zo raakte ik in angst en nood,
in wanhoop erger dan de dood,
ter helle moest ik varen.

4 Toen zag God in de eeuwigheid
mijn mateloze ellende
en haastte zich, te rechter tijd
mij, arme, hulp te zenden.
Mijn Vader, want Hij wendde mij
zijn hart vol liefde toe, ja Hij
liet het zich ‘t liefste kosten.

5 Hij sprak tot zijn geliefde Zoon:
Ik kan ‘t niet langer lijden;
nu is het tijd, verlaat mijn troon
en stel U aan zijn zijde;
sta voor hem in als bondgenoot,
verdelg de zonde en de dood
en laat hem met U leven’.

6 De Zoon deed naar zijn Vaders wens;
en uit een aardse moeder
geboren, zoals ieder mens,
werd Hij mij tot een broeder.
Zo nam Hij mijn gedaante aan
om satans eigenwaan te slaan,
hem in de val te lokken.

7 Hij sprak tot mij: Zie, het is nu
de kentering der tijden.
Ik heb mijn leven veil voor u,
Ik zelf zal voor u strijden.
Want Ik ben de uwe, gij zijt mijn,
en waar Ik ben, daar zult gij zijn,
geen vijand zal ons scheiden.

8 De vijand zal Mij ‘t hartebloed,
het leven zelfs ontroven,
‘t is u ten goede, en daar moet
gij rotsvast in geloven.
Mijn leven overwint de dood,
mijn onschuld delgt uw schulden groot,
en zo zijt gij behouden.

9 En keer Ik tot mijn Vader weer
en laat u in dit leven,
Ik ben uw God, Ik ben uw Heer,
Ik zal mijn Geest u geven,
de Geest die u zal troosten en
u openbaren wie Ik ben,
u in de waarheid leiden.

10 Wat Ik gedaan heb en geleerd,
zult gij ook doen en leren,
opdat mijn Vader wordt geëerd,
zijn rijk zal triomferen;
en loop niet ‘s werelds wijsheid na,
dat niet uw schat verloren ga,
laat u door Mij gezeggen.

Duitse tekst:

1. Nun freut euch, lieben Christen g’mein,
und lasst uns fröhlich springen,
dass wir getrost und all in ein
mit Lust und Liebe singen,
was Gott an uns gewendet hat
und seine süße Wundertat;
gar teu’r hat er’s erworben.

2. Dem Teufel ich gefangen lag,
im Tod war ich verloren,
mein Sünd mich quälte Nacht und Tag,
darin ich war geboren.
Ich fiel auch immer tiefer drein,
es war kein Guts am Leben mein,
die Sünd hatt’ mich besessen.

3. Mein guten Werk, die galten nicht,
es war mit ihn’ verdorben;
der frei Will hasste Gotts Gericht,
er war zum Gutn erstorben;
die Angst mich zu verzweifeln trieb,
dass nichts denn Sterben bei mir blieb,
zur Höllen musst ich sinken.

4. Da jammert Gott in Ewigkeit
mein Elend übermaßen;
er dacht an sein Barmherzigkeit,
er wollt mir helfen lassen;
er wandt zu mir das Vaterherz,
es war bei ihm fürwahr kein Scherz,
er ließ’s sein Bestes kosten.

5. Er sprach zu seinem lieben Sohn:
„Die Zeit ist hier zu erbarmen;
fahr hin, meins Herzens werte Kron,
und sei das Heil dem Armen
und hilf ihm aus der Sünden Not,
erwürg für ihn den bittern Tod
und lass ihn mit dir leben.“

6. Der Sohn dem Vater g’horsam ward,
er kam zu mir auf Erden
von einer Jungfrau rein und zart;
er sollt mein Bruder werden.
Gar heimlich führt er sein Gewalt,
er ging in meiner armen G’stalt,
den Teufel wollt er fangen.

7. Er sprach zu mir: „Halt dich an mich,
es soll dir jetzt gelingen;
ich geb mich selber ganz für dich,
da will ich für dich ringen;
denn ich bin dein und du bist mein,
und wo ich bleib, da sollst du sein,
uns soll der Feind nicht scheiden.

8. Vergießen wird er mir mein Blut,
dazu mein Leben rauben;
das leid ich alles dir zugut,
das halt mit festem Glauben.
Den Tod verschlingt das Leben mein,
mein Unschuld trägt die Sünde dein,
da bist du selig worden.

9. Gen Himmel zu dem Vater mein
fahr ich von diesem Leben;
da will ich sein der Meister dein,
den Geist will ich dir geben,
der dich in Trübnis trösten soll
und lehren mich erkennen wohl
und in der Wahrheit leiten.

10. Was ich getan hab und gelehrt,
das sollst du tun und lehren,
damit das Reich Gotts werd gemehrt
zu Lob und seinen Ehren;
und hüt dich vor der Menschen Satz,
davon verdirbt der edle Schatz:
das lass ich dir zur Letze.“

Luther over gebruik en nut van muziek…

Zoals al vaker aangehaald op deze website heeft Luther sterk geïnvesteerd in muziek en wel met name in de creatie van goede liederen (met ditto muzieknoten). Hij zelf zette zich aan de arbeid maar spoorde ook medewerkers en vrienden aan om hun literair talent uit te proberen. Er is een brief van Luther aan Georg Spalatin (geleerde humanist, vriend en raadsman van de keurvorst) waarin hij hem vraagt mee te helpen met dit scheppingsproces. In deze brief onthult Luther dat ‘het plan bestaat om naar het voorbeeld van de profeten en de eerste kerkvaders de psalmen in de taal van het volk te schrijven… Wij zoeken daarom alom naar dichters… Zelf heeft hij – zo meldt hij de psalm ‘De profundis’ al vertaald (= Aus tiefer Not, eerste versie).

Al snel circuleerde er een eerste oogst, acht liederen, verschenen in 1524 in Wittenberg: ‘Etlich christliche Lieder’ met prominent vooraan Luthers eerste geestelijke ballade (geen psalm dus!): Nun freut euch lieben christen’ gemein… Daarin zijn vervolgens leerstellige en wat moeizame teksten van Paul Speratus te vinden. Ze worden afgedrukt met een uitgebreide bijbelse toelichting: Catechese en Bewijs van bijbelgetrouwheid ineen.

Luthers eerste drie psalmberijmingen staan er ook in, achter elkaar en bedoeld om op eenzelfde wijs te zingen, namelijk die van Es ist das Heil uns kommen her, afgedrukt boven de tekst van Luthers berijming van psalm 12, Ach Gott von Himmel sieh’ darein ( hier genummerd en aangeduid volgens de Vulgata: 11 – Salvum me fac). De andere twee zijn psalm 14 (Es spricht der unweisen Mund, Vulgata: 13 – Dixit insipiens) en psalm 130 (Aus tiefer Not , onbgenummerd, enkel aangeduid met de Latijnse beginregel : De profundis). Ook deze laatste zonder melodie en dus ooit/eerst gezongen op de melodie van Es ist das Heil uns kommen her). Dit is nog een wat ‘rommelige uitgave’. Hier kunt u het doorbladeren.

Het eerste officiële Lutherse liedboekje (met voorwoord van Luther zelf, dus geautoriseerd) verschijnt in Erfurt: Ein Enchiridion oder Handbuchlein (Erfurt, 1524) in twee bijna gelijke edities: Het marktprincipe (Er is een nieuw veelbelovend marktsegment aangeboord) schijnt daarbij een rol te hebben gespeeld. De inhoud van dit boekje bevat een verrassend rijke oogst voor een zo korte ontstaansperiode en ook een rijke schat aan melodieën. De verhuis van cantor Johann Walter van Torgau naar Wittenberg zal hier wel voor iets tussenzitten. Het merendeel van Luthers evergreens zijn hier al te vinden (hieronder een afbeelding van de titelpagina). Naast oude Latijnse hymnen en sequenzen, vooral veel psalmberijmingen en vrije liederen met catechetische inhoud. [hier kunt u het geheel (48 paginas) doorbladeren]. Bijna onmiddellijk nadien is er ook al een polyfone zetting van deze liederen (+ nog meer) te vinden in Walters Geistliches Gesangbüchlein, met 4- en 5-stemmige zettingen. [Hier kunt u het begin van het tenorboekje doorbladeren]. Het is duidelijk dat het project op stoom is gekomen: De muziek gaat men in de kringen rond Luther volop gebruiken om de hervonden bijbelse heilsboodschap ingang te doen vinden in de hoofden èn harten van de mensen: Al zingend de wereld doordringen van nieuwe gedachten.

De doelgroep is ook duidelijk: Naast iedereen die gïnteresseerd is in de materie wordt vooral de jeugd geviseerd. De sterk catechetische toon van de eerste Lutherse productie versterkt dit gevoel. Op de titelpagina van het Enchiridion worden ze onderaan expliciet vermeld, de ‘jonge jeugd’. Het is natuurlijk een verkoopsargument, maar toch, lees maar mee: ‘Mit dysen und der gleichen Gesenge soltt man byllich die yungen yugendt aufferzihen’ : Deze en soortgelijke gezangen kun je gebruiken om de jonge jeugd op een goede manier op te voeden.

Titelpagina van het Erfurter Enchiridion (1524)

 

De polyfone zettingen van Johann Walter (zie onder) zijn volgens Luther zelfs expliciet bedoeld voor de jongelui. Een citaat uit het voorwoord van Walters Geistliches Gesangbüchlein (1524/1525) – dat later vaak is herdrukt:

Tweede pagina van het voorwoord van Luther

 

zij [= de liederen in deze bundel] zijn vierstemmig getoonzet met geen andere reden dan dat ik graag zou zien dat de jeugd, die toch behoorlijk zal moeten worden opgevoed in de Muziek en de andere goede kunsten (NB: Muziek was een schoolvak en één van de ‘artes liberales’, DW) iets zou hebben waarmee zij de wulpse liederen en de wereldse gezangen zou loslaten en in plaats daarvan iets heilzaams zou leren, zodat ze het goede zich zou eigenmaken terwijl ze er tegelijk plezier aan beleeft, zoals dat hoort als je met jongeren van doen hebt.”

Dit zijn geen originele gedachten van Luther (zoals in diverse publicaties nog al eens te lezen is, terwijl men Luther de hemel in prijst), maar ‘common place’ (gemeenplaatsen) sinds de tijden van Chrysostomus en Origenes en die gaan weer terug op …. Plato. De kerk heeft altijd een haat-liefde verhouding gehad met muziek, en vooral heeft ze veel moeite gehad met instrumentale muziek. Muziek hoorde bij het heidense leven, m.n. bij het theater. Heel mooi is de spanning verwoord door Augustinus als hij vertelt over de eerste keer dat hij Ambrosius hoorde zingen. Maar precies dezelfde redeneringen vind je ook bij Calvijn.

Juist daarom is trouwens dit voorwoord van Luther zo sterk. Hij neemt namelijk ook in die debatten meteen positie in, èn hoe ! Lees maar even verder:

Ook ben ik niet van mening dat door het Evangelie alle kunsten tot de grond toe moeten worden afgebroken en vergaan zoals sommige ‘over-geestelijke’ mensen verkondigen. Ik wil alle kunsten, in het bijzonder de muziek, graag zien in de dienst van Hem die ze gegeven en geschapen heeft. 

Luther is één van de weinige theologen die ook het lichaam als scheppingswonder Gods serieus genomen heeft en ‘bejaht’ (zoals de Duitsers zo mooi kunnen zeggen). Hij genoot dus van eten, drinken, seks en muziek, om maar eens een paar fysieke geneugten te noemen. Hij vond het daarvan kunnen genieten evenzeer tot de  christelijke moraal behoren, dan goed gedrag en zeden. Hoe geestelijker een mens zich gedroeg, hoe meer Luther geneigd was op z’n hoede te zijn. Ook de hele ‘avondmaalsstrijd’ en Luthers afkeer van een rein-symbolische opvatting (Zwingli c.s.) past in dit psycho-theologisch profiel, maar dit geheel terzijde.

Ed Kooijmans, De Wittenbergse nachtegaal

Ed Kooijmans, De Wittenbergse nachtegaal. De wereld van Luthers liederen (Den Hertog, Houten, 2012). 381 blz. € 24,90

Dit boek wil een inleiding bieden in de wereld van Luthers liederen. En dat is het ook, zij het met gebreken. De auteur behandelt de 36 liederen die aan Luther met zekerheid kunnen worden toegeschreven qua tekst (en soms ook qua melodie, hoewel daarover nog steeds getwist wordt). In het eerste deel doet hij dit inhoudelijk-theologisch, historisch (hij schets de context van ontstaan), liturgisch (eventuele plaats en functie in de eredienst) en muzikaal. Ook besteedt hij aandacht aan de ‘Wirkungsgeschichte’, zowel in Duitsland als in Nederland. De titel ‘De Wittenbergse nachtegaal‘ verwijst naar de metafoor die de Meesterzanger Hans Sachs in 1523 gebruikte om Luther te kenschetsen, waarbij de muzikale connotatie eerder toevallig is. Het ging Sachs om de verkondiging van Luther. Datzelfde geldt voor de auteur. 

Het is een rijk boek, met veel interessante feiten en verhalen. Deze rijkdom is tegelijk ook het tekort, omdat de auteur te weinig onderscheid maakt tussen ‘Dichtung und Wahrheit’ als het over de verhalen gaat die rond de liederen (ontstaan, impact) circuleren. Hierdoor staan feit en fictie naast elkaar en wordt de lezer dus in zeker zin ook misleid, terwijl hij de wereld van Luthers liederen wordt ingeleid. Jammer, want het boek is duidelijk geboren uit een authentieke belangstelling voor Luthers liederen ademt op elke bladzijde oprechte geestdrift uit.

meer in détail:

Deel I schetst de wereld van Luthers liederen, waarin muziek-historische, liturgische en theologische analyses elkaar afwisselen. Hoewel bijzonder informatief en behoorlijk gedocumenteerd (elk hoofdstuk besluit met een reeks voetnoten), wreekt zich dat de auteur te naïef omgaat met oudere studies over Luther en de muziek. Deze zijn in het Lutheronderzoek niet altijd even betrouwbaar en dienen oordeelkundig (d.w.z. geïnformeerd vanuit de bronnen zelf of middels kennis van de meest recente vakliteratuur) te worden gebruikt. Het is jammer, maar veel ‘sprekende anecdotes’ zijn of niet of niet helemaal waar. Op zich mag je die verhalen (over de palingvissers bijv. die op een ijsschots zijn afgedreven en vlak voor ze in het ijskoude water ondergaan een lied van Luther aanheffen, p. 206) best vermelden, maar zet er dan bij dat ‘het een legende is’, of leid het in met ‘Er wordt verteld, dat’ of ‘Het verhaal gaat’. Nu staan zulke verhalen op hetzelfde niveau als wetenschappelijk wel gedocumenteerde standen van zaken. Dat vertroebelt de blik. Veel van de verhalen komen uit Emil Koch’s Geschichte des Kirchenlieds und Kirchengesangs der christlichen, insbesondere der deutschen evangelischen Kirche (1847), een boek dat bij hedendaagse vorsers niet eens meer wordt genoemd. Hetzelfde geldt voor de studie van Johannes Rautenstrauch uit 1907 over Luther en de liturgie. Boeken met een verdienste in hun tijd, maar nu niet meer bruikbaar als directe bron. Ook het bevlogen werk van Hans Preuss over Luther als kunstenaar (1931) moet met de nodige kritische zin worden gelezen en zelfs als Otto Schlisske in zijn Handbuch der Lutherlieder (1948) een verhaal opneemt, is dat nog geen garantie van authenticiteit. Daar komt nog bij dat Luther ook als mens en theoloog nogal werd ‘vereerd’ in de oudere (Duitse) studies, en dan zeg ik het nog voorzichtig. Zeker 19de eeuws auteurs (waarop genoemde détailstudies zich vaak baseren) maken nauwelijks onderscheid tussen ‘fact and fiction’. Ook woedt de propagandaoorlog tussen rooms-katholieke en protestantse auteurs rond Luther (heilige of satanskind) dan nog volop. Door zijn eigen theologische positie is de auteur bijzonder vatbaar voor deze mystificaties. Ze strookt namelijk met zijn eigen opvatting over kerk en geloof. Hierdoor heeft het Lutherbeeld in dit boek een toets van dweperij: Luther is een geloofsheld, een uniek persoon door God geroepen, een profeet, een uitzonderlijk muzikaal begaafd mens, een groot dichter. Onderaan deze bespreking nog enkele voorbeelden van deze onkritische attitude (van ‘jammer’ tot ‘fout’).

Echter: Elk ‘nadeel heb z’n voordeel’. De auteur kan zeer congeniaal Luthers bijbelinterpretatie weergeven en verduidelijken (m.n. de christocentrische lezing van het Oude Testament, waarin de Psalmen Christus verkondigen). Ook is hij helemaal mee als Luther de evangelieboodschap herformuleert als de proclamatie van de onverdiende verlossing van de zondaar door Christus’ bloed (= zelfovergave aan het kruis), extra nos pro nobis. Ook de existentiële ondertoon voelt hij mee. Hoewel ook hier de Lutherse grondtoon toch net anders is dan die van de Nadere Reformatie, maar dit terzijde. In 20 korte hoofdstukken behandelt de auteur hier ongeveer alle aspecten van Luthers liederen. Globaliter dus een heel bruikbaar ‘overzicht’. Zelf zou ik minder vaak Luther als melodiebewerker (van oude hymnen bijv.) opvoeren. Het lijkt me logisch dat Johann Walter, met wie Luther vanaf het begin (1524) samenwerkte en die ook meteen al voor de polyfone zettingen verzorgde, hier vaker de ganzeveer heeft vastgehouden dan Luther. Maar dit terzijde. Dat Luther een melodie kon maken en zeker de kerktoonsoorten beheerste als geen ander, is een feit. Op de website van de uitgever kunt u het boek inzien. Heel interessant is het boek wanneer de auteur vertelt over de doorwerking van Luthers liederen en muziek in de kringen van de Nadere Reformatie.

Het tweede deel van het boek (p. 259-348) bevat dan de tekst en melodie van alle 36 liederen die aan Luther worden toegeschreven, met een vertaling (indien een min of meer getrouwe voorhanden dan is die gebruikt, anders heeft de auteur die zelf gemaakt – of aangevuld). We komen hier vanzelfsprekend veel liedboekdichters tegen. Ook vader en zoon Boendermaker (P. en J.P.) zijn goed vertegenwoordigd. De Duitse tekst is die van de officiële wetenschappelijk editie van Markus Jenny (NB. Dit is niet de originele, maar een gemoderniseerde spelling). Ook is soms een 4-stemmige zetting toegevoegd uit de 16de en 17de eeuw (hoewel ik ook Bach en Kooijman zelf aantrof). Nog enkele opmerkingen:

  • De auteur meldt bij Luthers berijming van het ‘Vater Unser’ dat de afgedrukte facsimile van het origineel ‘nooit gevonden is’. Dit is onjuist. Ze is sinds 1984 terecht en bevindt zich in de Deutsche Staatsbibliothek, Berlin (Sammlung ‘Härtel’). Bij de herziene Weimar uitgave van Luthers liederen van dat jaar door Markus Jenny is een facsimile gevoegd, die in een appendix ook wordt geanalyseerd. Boeiende lectuur ! Luthers handschrift van het Vater unser kunt u dus wel degelijk bekijken, bijv. hier op deze site
  • Als Nederlandse vertaling van het eerste lied van Luther (Ein neues Lied wir heben an) wordt de versie van ds. C.M. de Vries afgedrukt (op voorspraak van Jan Wit – artikel uit 1977). Deze vertaling lijkt sterk op (en soms geheel gelijk is aan) de vertaling van P. Boendermaker die ik altijd gebruik, maar waarvan ik de bron niet ken. Wie heeft hier wie afgeschreven? Ik gok erop dat Boendermaker ouder is dan De Vries, daar eerstgenoemde midden jaren 1950 zo goed als alle Lutherliederen heeft vertaald voor het nieuwe Evangelisch-Lutherse liedboek. Ze is ook meer ‘toonvast’ dan die van De Vries. Voor deze vertaling, zie bijv. mijn webpagina gewijd aan dit lied. De vertaling van Boendermaker is ook gebruikt voor de opname van het lied in 2017

In een reeks bijlagen (deel III) zijn tenslotte de teksten en vertalingen opgenomen van de voorwoorden die Luther bij diverse zangboeken heeft geschreven. Na diverse registers (personen, liederen) en een bibliografie wordt het boek afgesloten met een dankwoord aan de sponsors.

Samenvattend: Dit boek is zeker geschikt als een ‘overzicht’ van Luthers liederen binnen hun muzikale en historische context. De editie van de melodieën en de juxtapositie van de oorspronkelijke teksten en een Nederlandse vertaling maakt dit boek de moeite waard. Voor een objectieve wetenschappelijke uitgave met dito inleiding schiet dit boek echter tekort.

Enkele Voorbeelden van het niet oordeelkundig gebruik van oude bronnen en daaruit voortvloeiende gebreken.

Het prachtige verhaal op p. 44 en 45 (het bezoek van de Vlaamse musicus Hieronymus de Locks aan Luthers huis) is reeds lang ontmaskerd als een laat 19de eeuws verzinsel (NB: Roland de Lattre, van wie Luther hier een madrigaal aanheft om zijn Vlaamse gast te pleizieren, is pas geboren ca. 1530, terwijl het verhaal zich redelijk kort hierna zou moeten hebben afgespeeld). Deze legende dook op in 1879 Revue et Gazette Musicale de Paris, in de vorm van twee brieven van Jerome de Cocks aan Jan van Stiegen, waarbij de eerste uitgebreid vertelt over het onthaal in Wittenberg dat hem als roomse muzikale jongen was tebeurt gevallen. Jerome de Cocks? (Hieronymus de Cock, de schilder?), Jan van Stiegen? De anonieme auteur (is het de hoofdredacteur zelf?) verwijst als bron naar de musicoloog Fétis die in 1830 de brieven zou hebben ontdekt, zonder echter de bron te vermelden.

Overigens wordt reeds in hetzelfde jaar in een Duits tijdschrift het verhaal ontmaskerd als een verzinsel, en en passant ook aangegeven dat dat de glorierijke toekomst van het verhaal wel niet in de weg zal staan (profetisch dus). Het hele laat-romantische beeld van Luther die thuis musiceert met kinderen en vrienden, zit er namelijk in en wordt als ‘zeitgenössisches’ getuigenis gepresenteerd. Dus dat ‘pakt’. Hierdoor wordt de lezer echter de toegang onthouden tot een echt historisch verantwoorde voorstelling van hoe het er nu aan tafel bij Luther aan toeging. De 19de eeuwse bril maakt bijziend. De afbeelding op de voorkant van het boek (Spangenberg 1875) lijdt aan hetzelfde euvel. Luther was geen jeugdleider avant la lettre die gitaar/luit speelt terwijl de kinderen braaf liedjes zingen terwijl mama toehoort. Luther zong polyfone muziek, en de luit diende – als ze dan al gebruikt werd – om te intavoleren als er stemmen ontbraken.

Ook is de auteur zich niet bewust van de diepte van het (neo-)Platoonse wereldbeeld, waarin de ‘Musica’ als hoogste samenvatting van de goddelijke scheppingswijsheid figureerde. De harmonie der sferen en de ‘hemelse muziek’ die de planeten maakte, onhoorbaar voor een mens, was het inbegriff van de volmaaktheid van de schepping. De auteur stelt op p. 42-43 dat de muziek aan de universiteit onderwezen werd op puur ‘fysieke’ wijze (waarbij hij dan Aristoteles opvoert als schuldige) en dat Luther de eer toekomt dat hij de geestelijke betekenis naar voren heeft gebracht. Dit is gebaseerd op een gebrek aan kennis van de theologiegeschiedenis, waarin het vak muziek (theoretisch-filosofisch!) al sinds de klassiek oudheid enorm hoog stond aangeschreven en vooral theologen inspireerde tot heel diepzinnige meditaties over de ondoorgrondelijke diepte en wijsheid Gods. Ook werden door deze muziektheorie reëel componerende kerkmusici steeds weer geprikkeld om ‘meer dan fysieke’ muziek te maken. Het hoorde bij het Quadrivium en was dus hèt opstapje voor de hoogste wetenschap: de Theologie. Ook Luthers voorwoorden zijn wat dat betreft veel minder origineel dan wij er vaak in lezen. (Idem voor Calvijn, die vooral Plato citeert in zijn voorwoord bij de Psalmen).

bij p. 100, waar hij schrijft over Luthers eerste lied, blijkt de auteur ook niet op de hoogte van het lot van de derde gearresteerde augustijner monnik, Lambert (van den) Thoren, of Thorn. Dit valt hem niet te verwijten, want deze kennis is nog vrij recent. Lambert heeft een redelijk gerieflijke tijd in de gevangenis doorgebracht nadat hij is weggevoerd van de Grote Markt. Hij had studiemateriaal, kon brieven ontvangen (van Luther bijv.) en werd verzorgd door de hervormingsgezinde kunstzinnige kring rond Bernard van Orley in Brussel. Zo kon dat dus ook. Hij is een natuurlijke dood gestorven in 1528, en begraven onder de galg, als ketter, want ook hij heeft nooit zijn ‘lutherije’ herroepen. Bij de beschrijving van dit lied wordt bijv. ook duidelijk dat een iets minder idolate houding nuttige ware geweest. De tekst is goed, maar niet briljant. De melodie is die van een doorsnee ballade, zeker niet ‘geniaal’. De laatste regel is zelfs dubieus.

Luther was zeer muzikaal en had een sterk taalgevoel. Zeker. Maar daarom is hij nog geen bovenmate begaafde componist, meester in het contrapunt, zoals de auteur op p. 52 beweert in het voetspoor van Willem Mudde (artikel uit 1993). Dit naar aanleiding van het overgeleverde vierstemmige motet op Non moriar sed vivam. NB: kenners zoals Friedrich Blume en vele anderen hebben al lang vastgesteld dat deze ‘compositie’ voldoet aan de regels, maar niet sterk is. Ook hebben de middenstemmen nauwelijks een eigen karakter. Ze zijn ‘vulstemmen’. Luther heeft expertendom op dit punt ook nooit geclaimd. Hij wist dat hij de stof (regels van het contrapunt) beheerste zoals iedereen die het vak ‘musica’ had gevolgd. Hij beheerste die voldoende om geen grote fouten te maken bij polyfone zettingen. Ook had hij kennis genoeg om te zien waar anderen dat wel deden en dat evt. te verbeteren. Dat is niet gering, maar dat is geen reden om hem de muzikale componisten-hemel in te prijzen. De creatieve puls, de echte compositorische begaafdheid (h)erkende hij bij anderen, de vaklui. Johann Walter, Ludwig Senfl. Zijn bewondering voor hen steekt hij niet onder stoelen en banken, juist omdat hij weet dat hij het zèlf niet kan. Of zoals hij ergens schrijft: “Dat geeft niet; ik kan preken, en dàt kunnen zij niet”.

Dick Wursten

Het evangelie ‘zingen’…

‘Euangelion’ ist ein griechisch Wort, und heißt auf deutsch gute Botschaft, gute Mär, gute Neuzeitung, gut Geschrei, davon man singet, saget und fröhlich ist.

[klik hier voor de bespreking van twee recente CD’s]

Eigenlijk zegt deze zin, die niet over de muziek maar over de betekenis van het Griekse woord ‘evangelie’ gaat, alles over Luther en de muziek. Ze staat in Vorrede van wat Lutheranen het ‘Septembertestament’ noemen. Dat is Luthers fameuze vertaling van het Nieuwe Testament in het Duits die hij op de Wartburg heeft gemaakt en die net op tijd van de drukpers was gerold om nog op de boekenbeurs van Frankfurt (september 1522) te kunnen worden gepromoot, maar dit terzijde. Waar het om gaat is dit. Voor Luther is het vanzelfsprekend dat je berichten die je belangrijk vindt, zoals het evangelie, ‘zingt’. Het woord valt Luther zelfs nog eerder in dan het woord voor ‘sagen’ (vertellen). Als hij zegt dat muziek een gave is van de Allerhoogste God, in rangorde komend net na het Woord zelf, dan meent hij wat hij zegt. Dat is bijzonder, want lofprijzingen op de muziek in het algemeen, speculaties over ‘Heavenly Harmony’ (muziek der sferen), en de wonderkracht van het lied (David èn Orpheus) behoren namelijk tot het standaardrepertoire van elke theoloog tussen ca. 300-1800 hoorden. Die moèt ieder zichzelf respecterende theoloog wel schrijven. Ze zeggen dus niet veel over hoe de schrijver het zelf beleefde. U vindt ze ook bij Calvijn bijv, die ze gebruikt om zijn Psalmberijmingen te motiveren. Bij hem heb je echter geen andere aanduidingen dat muziek of zingen hem zelf ook iets deed. Het zijn uitdrukkingen van het (neo-)Platoonse wereldbeeld, expressies van het geloof in de Schepper, wiens geest zich volkomen zou hebben uitgedrukt in de harmonie van de kosmos.

Luther meende echter wel degelijk wat hij zei op dit terrein en dat kunnen we afleiden uit wat hij heeft gedaan. Hij heeft namelijk naar hartelust zèlf gezongen. Als knaap in het koor, als student in ‘bedelkoren’ langs de deuren van de gegoede burgerij, als monnik tijdens de vieringen en het dagelijks psalmgebed, als priester bij de evangelielezing, de gebeden en – hoogtepunt – bij de canon van de mis. Hij had een heldere tenor, zo is geweten, en aan tafel werd er bij hem duchtig gezongen, met z’n gasten. En dat ging van liederen bij het eten en drinken, tot ballades tot polyfone Latijnse motetten van Josquin Desprez en Ludwig Senfl. De eerste was zijn favoriet, de tweede was met hem bevriend en heeft in 1530, toen Luther in de Coburg wachtte op de uitkomst van de cruciale Rijksdag van Augsburg, op zijn verzoek enkele kleine motetten (Non moriar sed vivam, en In pace inidipsum) voor hem gecomponeerd. Dat kon/mocht helemaal niet, want Senfl was in dienst van één van Luthers felste tegenstanders (Albrecht IV, München – Bayern), maar het gebeurde toch, de stad in- en uitgesmokkeld door tussenpersonen. En dat nog wel in 1530 precies op het moment dat op de rijksdag in Augsburg beslist werd over het lot van de Lutherse vorsten die een ‘Protestation’ hadden ingediend bij de keizer en Luther zich zat te verbijten van angst dat het mis zou gaan op de Coburg. Het leven is sterker dan de leer. En muziek trekt zich niets aan van confessionele grenzen.

Luthers dichtader is aangeboord in dezelfde periode dat hij de bijbel vertaalde. Logisch, want om een psalm of het Hooglied te vertalen, moet je zelf eigenlijk ook dichter zijn, of op z’n minst een sterk taalgevoel hebben. Dat had Luther. Tegelijk had hij – waarschijnlijk voor privé-gebruik – ook al eens geprobeerd om enkele Latijnse hymnen over te zetten in het Duits. De net in Wittenberg gearriveerde cantor Johann Walter was erbij. Hij is het die waarschijnlijk – terwijl Luther de teksten vertaalde – de wat zwevende gregoriaanse melodiek ook ‘verdichtte’ tot er een liedmelodie ontstond met een duidelijk begin, midden en einde. Zo ontstond Nun komm der Heiden Heiland (Veni redemptor Gentium) voor Advent/Kerst, eeuwenlang ‘gezang nr. 1’ in elk Duits kerkelijke liedboek. Ook begon hij zingend te catechiseren. Een vertellende samenvatting van het evangelie: Nun freut euch lieben christ g’mein of het Kerstverhaal voor kinderen verteld door de engel Gabriël: Von Himmel hoch da komm ich her. Of deze liederen ook bedoeld waren voor de eredienst, waag ik te betwijfelen. Ik zie in die eerste vrije liederen van Luther eerder gezangen voor ‘huis en school’ (de broodnodige catechese) dan voor de liturgie. De lange leerstellige toelichtingen en onderbouwingen die in de eerste liedboekjes uit 1524 (‘Enchiridion’ en ‘Etlich christlich Lieder’) zijn opgenomen, maken dat aannemelijk. De sterkste indicatie echter zit ’m in het feit dat ook Luthers ballade over de marteldood van de twee Antwerpse ordebroeders, Johan van Essen en Hendrik Vos, in diezelfde liedboekjes is opgenomen, bepaald geen liturgisch lied. Het is ook eerder buiten Wittenberg aantoonbaar dat het volk koralen begon te zingen, dan in Wittenberg zelf.

Luther bleef zweren bij de ‘gezongen mis’, die hij dan ook vertaalde (taal en muziek) in het Duits, opnieuw samen met Johann Walter. De liturgische onderdelen in het Duits, inderdaad, plus een Psalm aan het begin, maar alles in kerktoonsoorten. Een koraal als ‘gebed om de heilige Geest’ (Komm, Heiliger Geist, Herre Gott). Luthers berijming van de geloofsbelijdenis en het Sanctus kan men nauwelijks een ‘gezang’ noemen. Pas in 1529 verschijnen de bekende koralen in het Liedboek, waaronder het Vater unser. De cantorij vervulde dus nog steeds zijn rol in de liturgie. Het zong motetten (meestal in het Latijn, geleidelijk steeds meer in het Duits). Johann Walter gaf ook onmiddellijk meerstemmige versies uit van de nieuwe liederen van Luther en zijn collega’s (vanaf 1525): het ‘Geistliches Gesangbuchlein’ met 3-4-5 stemmige zettingen, klassiek, polyfoon, ook van de nieuwe Lutherse koralen, zowel de hymnische als de vertellende: de geestelijke ballades. Deze eerste edities leiden – mede omdat Luther in het voorwoord hiertoe ook een oproep deed – tot een ware explosie aan dichterlijke-muzikale activiteit getriggerd door Luthers nauwe verbinding tussen ‘evangelie verkondigen’ en ‘zingen’.

Waarom zingen? Omdat het evangelie het hart moet raken. Omdat platte taal de blijde boodschap niet overbrengt. Mensen moeten door de manier waarop de Heilige Schrift gereciteerd, vertolkt wordt, de indruk krijgen dat God hen zelf aanspreekt. Luther meent wat hij zegt als hij stelt dat God zelf spreekt als de bijbelse woorden klinken. Viva vox evangelii. Beter nog dan in een preek, kan het lied dat doen. En het sterkst doet dat lied het, als het de emotieve kracht van de muziek ten volle gebruikt: The utmost for the Highest. Psalm 150 is Luther uit het hart gegrepen.

En zoals gezegd: De Lutherse kerkmuziek bleef gewoon meegroeien met de breed-Europese muziekontwikkeling, die in de rooms-katholieke landen in de tijd van de contra-reformatie een grote bloei kende. U kunt dat ook gewoon horen. Koop een willekeurige CD met Lutherse kerkmuziek uit de 16de en 17de eeuw (Johann Walter, Melchior Franck, Michael Praetorius, Heinrich Schütz, Samuel Scheidt, Thomas Selle, om maar enkele muzikanten-cantores-componisten) te noemen. Luister naar de ‘Figuralmusic’ (= muziek voor de capella (zangers en instrumenten) die zij gecomponeerd hebben en u ziet dat men nooit de band heeft verbroken met de kerkmuziek van Rome. U herkent de klassiek geschoolde componisten (vlaamse polyfonie). U hoort dat men les is gaan volgen (ook letterlijk) bij Giovanni Gabrieli, Claudio Monteverdi. Vanuit de Duitse en Scandinavische landen stuurden de vorsten hun meest begaafde zangers (componisten in spe) naar Venetië.

Een verschil is natuurlijk dat de volkstaal door deze componisten ook gebruikt wordt voor geestelijke muziek. Het aandeel van op muziek gezette bijbelteksten neemt toe. Ook bloeit het Evangeliemotet. Maar qua muzikale inventie en vorm blijven het motetten, maar nu in het Duits. De koraalmelodieën en teksten worden ook gebruikt, en leiden tot een aparte motetvorm gebaseerd op de melodie, die per strofe muzikaal wordt gevarieerd (zoals in doorgecomponeerde orgelvariaties). Ook wordt de tekst en/of de melodie gebruikt als materiaal om door een motet heen te vlechten. Wat nog opvalt is dat de meerkorige techniek vaak ruimer bezet wordt. Het wordt wat massaler, wat overigens veroorzaakt wordt doordat – precies – in de Lutherse traditie niet alleen vorsten bereid zijn in de muziek te investeren, maar ook stadsbesturen er veel geld voor over hebben om in de grote stadkerken te kunnen uitpakken met feestmuziek. Door de enige echte Lutherse vernieuwing, de introductie van het ‘koraal’, kan in zo’n muziekfestijn ook ‘het volk’ participeren. Componisten krijgen er niet genoeg van om al die middelen tegelijk, of beter, beurtelings (alternatim) in te zetten. Het oeuvre van Michael Praetorius biedt een staalkaart van wat in een middelgrote Duitse (en Deense, en Zweedse, en Poolse) stad mogelijk is geweest. Ook het orgel kan z’n ding doen, voluit. Wat men bij Sweelinck heeft geleerd (die het enkel voor en na de viering mocht doen), kan men in Duitsland gewoon integreren in de liturgie. Wat een muziekfeest moet de kerkgang toen zijn geweest, zeker op kerkelijke hoogdagen.

Why should the devil have all the good music?

Why Should the Devil Have All the Good Music?

  • vraag: Heeft Luther dat gezegd?  
  • antwoord: Neen, want hij sprak geen Engels (sorry).
  • antwoord: Neen. Ook in het Duits zou hij zoiets niet gezegd kunnen hebben.
  • argument: Wat Luther gezegd heeft over muziek heeft een veel positievere klank en een veel breder toepassingsgebied.

Sinds de jaren 1970 wordt dit citaat (‘quote’) vaak aan Luther toegeschreven. Hij zou dan – bijv. tijdens een verhitte discussie over de vraag of kerkmuziek nu wel of niet mocht blijven – uitgeroepen hebben: “Maar waarom zou de duivel met alle goede muziek moeten gaan lopen !  Wij kunnen daar toch ook iets voor in de plaats stellen” (of zoiets, en natuurlijk in het Duits dan). Het feit dat dezelfde spreuk ook is toegeschreven aan Charles Wesley (Methodist), William Booth (Leger des heils) en zelfs Isaac Watts (Anglicaans lieddichter) en enkel bekend is ‘in het Engels’, doet je vermoeden dat het wel eens een zwerfquote kan zijn die de ‘eigen zaak’ gewicht moet verlenen door hem met het gezag van ‘x’ te voorzien (gelieve voor ‘x’ in te vullen de naam van een autoriteit in de betreffende traditie).

Facts: Why Should the Devil Have All the Good Music? is een zin uit een fantastisch lied van Larry Norman, waarmee hij zijn eigen activiteiten in de wereld van de rock ‘n roll verdedigde als evangelisch christen.

 

Hij maakte het tot de strijdkreet van de christelijke jongelui, die ook electrische gitaren en een drumstel in de kerkdienst wilden en botsten op het kerkelijk establishment. Tegelijk werd het de slogan van de christelijke popmuziek, die zich – vanuit de USA – als een apart circuit ontplooide om het gat in de markt van de beat-generation te vullen (dit tot grote ergernis van Larry Norman, die juist géén tweedeling wilde). De zin zelf geeft daar natuurlijk wel aanleiding toe door de muziek te typeren als een arena waar God en de duivel met elkaar vechten om de lekkerstse brokken. Ik vrees dat Larry Norman zo ongewild de achterdocht tegen de popmuziek in christelijke kringen juist heeft versterkt. Muziek is volgens deze quote of van de duivel of van God? En ter beoordeling worden je dan twee criteria aangereikt: de persoon van de muzikant wordt belangrijk: “Is he a re-born christian or not? If so, okay; if not, beware!”; En de tekst zelf: Is die christelijk (of in elk geval niet anti-christelijk), dan mag het, anders moet je oppassen, want dan is de kans groot dat de duivel in het spel is. En we zijn vertrokken voor eindeloze porties gekwezel, complottheorieën en bang-makerij.

Deze simplistische  tweedeling van de wereld is Luther totaal vreemd. Volgens hem is de hele wereld van God met alles erop en eraan. De duivel kan die altijd proberen te kapen – aldus Luther – en wel vooral daar waar je het niet verwacht (bijv. – nog steeds volgens Luther: in het streven van de mens om ‘gode-welgevallig’ te worden – werk-heiligheid noemde men dat vroeger). Ja, denk daar maar eens over na!

Luther zou zich dus bij deze vraagstelling omdraaien in zijn graf vanwege het simplisme en vooral omdat men God van z’n eer berooft door zoveel macht toe te schrijven aan de duivel: godslasterlijk. Luther’s visie is eenvoudiger en dieper (en dit zijn twee echte quotes van Luther):

Musica est donum Dei Optimi (muziek is een geschenk van de Allerhoogste God).

Waar mensen samen goede muziek maken, heeft de duivel geen kans !

Punt aan de lijn. Natuurlijk probeert de duivel dat geschenk te stelen, maar hij zal nooit meer worden dan een slechte imitator, verkoper van surrogaat; het zal slechte muziek zijn. Hij is immers niet meer dan de ‘aap van God’. Hij kan niet zelf ‘scheppen’. Hij is niet creatief, dat is enkel God ! 

Per deductie: Als je Luthers stelling omkeert: waar je slechte muziek maakt, daar heeft God het moeilijk en is de kans groot dat de duivel zich in z’n handen (nu ja, bokspoten) wrijft. 

  • Meer over Luther en de muziek lees je hier 
  • En hier vind je nog iets over de echte oorsprong van de quote ‘Why should…’ 

 

Why should the devil have all the good music?

Why Should the Devil Have All the Good Music?

  • vraag: Heeft Luther dat gezegd?  
  • antwoord: Neen, want hij sprak geen Engels (sorry, flauw).
  • antwoord: Neen. Ook in het Duits zou hij zoiets niet gezegd kunnen hebben.
  • argument: Wat Luther gezegd heeft over muziek heeft een veel positievere klank en een veel breder toepassingsgebied.

Sinds de jaren 1970 wordt dit citaat (‘quote’) vaak aan Luther toegeschreven. Hij zou dan – bijv. tijdens een verhitte discussie over de vraag of kerkmuziek nu wel of niet mocht blijven – uitgeroepen hebben: “Maar waarom zou de duivel met alle goede muziek moeten gaan lopen !  Wij kunnen daar toch ook iets voor in de plaats stellen” (of zoiets, en natuurlijk in het Duits dan). Het feit dat dezelfde spreuk ook is toegeschreven aan Charles Wesley (Methodist), William Booth (Leger des heils) en zelfs Isaac Watts (Anglicaans lieddichter) en enkel bekend is ‘in het Engels’, doet je vermoeden dat het wel eens een zwerfquote kan zijn die de ‘eigen zaak’ gewicht moet verlenen door hem met het gezag van ‘x’ te voorzien (gelieve voor ‘x’ in te vullen de naam van een autoriteit in de betreffende traditie).

Facts: Why Should the Devil Have All the Good Music? is een zin uit een fantastisch lied van Larry Norman, waarmee hij zijn eigen activiteiten in de wereld van de rock ‘n roll verdedigde als evangelisch christen.

 

Hij maakte het tot de strijdkreet van de christelijke jongelui, die ook electrische gitaren en een drumstel in de kerkdienst wilden en botsten op het kerkelijk establishment. Tegelijk werd het de slogan van de christelijke popmuziek, die zich – vanuit de USA – als een apart circuit ontplooide om het gat in de markt van de beat-generation te vullen (dit tot grote ergernis van Larry Norman, die juist géén tweedeling wilde). De zin zelf geeft daar natuurlijk wel aanleiding toe door de muziek te typeren als een arena waar God en de duivel met elkaar vechten om de lekkerstse brokken. Ik vrees dat Larry Norman zo ongewild de achterdocht tegen de popmuziek in christelijke kringen juist heeft versterkt. Muziek is volgens deze quote of van de duivel of van God? En ter beoordeling worden je dan twee criteria aangereikt: de persoon van de muzikant wordt belangrijk: “Is he a re-born christian or not? If so, okay; if not, beware!”; En de tekst zelf: Is die christelijk (of in elk geval niet anti-christelijk), dan mag het, anders moet je oppassen, want dan is de kans groot dat de duivel in het spel is. En we zijn vertrokken voor eindeloze porties gekwezel, complottheorieën en bang-makerij.

Deze simplistische  tweedeling van de wereld is Luther totaal vreemd. Volgens hem is de hele wereld van God met alles erop en eraan. De duivel kan die altijd proberen te kapen – aldus Luther – en wel vooral daar waar je het niet verwacht (bijv. – nog steeds volgens Luther: in het streven van de mens om ‘een gode-welgevallig’). Ja, denk daar maar eens over na! En de muziek? 

Alle muziek is van God: ‘Musica est donum Dei Optimi’.

Punt aan de lijn. Natuurlijk probeert de duivel dat geschenk te stelen, maar hij zal nooit meer worden dan een slechte imitator, verkoper van surrogaat. Hij is immers niet meer dan de ‘aap van God’. Hij kan niet zelf ‘scheppen’. Hij is niet creatief. Dus niet: Oei, we moeten als christenen ook nog ons graantje meepikken en proberen te redden wat er te redden valt, maar – en dit is een echte quote:

Waar mensen samen musiceren, heeft de duivel geen kans !


P.S. Waar komt de quote Why Should the Devil Have All the Good Music? echt vandaan? Volgens Familiar Short Sayings of Great Men (1887) komt deze uitroep uit de mond van de methodistische predikant van Surrey Chapel, die in de kerkdienst er niet vies van was allerlei evangeliserende teksten te laten zingen op populaire ‘tunes’ (Rule Brittania, bijv.)… Om de criticasters te mond te snoeren, antwoordde hij dan kortaf: Why Should the Devil Have All the Good Music?

Trouwens: De genoemde Larry Norman keerde zich in zijn latere – tamelijk turbulente – leven tegen drie zaken in de christelijke muzieksector: het lage niveau van de meeste teksten, de commercialisering van de productie, en de afzondering van het gewone muziekgebeuren.

Frau Musica

 

 Vox Luminis – CD Martin Luther en de muziek, 2016/2017, Outhere music. 

Deze repetitieopname begint met de hymne Veni Sancte Spiritus (Thomas Selle – cantor te Hamburg – meerkorig werk, Venetiaans, fraai) en @ 2:05 Caspar Othmayer (16de eeuw, musicus en predikant, polyfoon). Een prachtige uitvoering door Vox Luminis. Onder leiding van Lionel Meunier pulseert de muziek op de tactus, stroomt het licht naar binnen, en hoor je dat veel Lutherse componisten in de leer zijn geweest in Venetië (Gabrieli en Monteverdi). De Duitse 17de eeuwse kerkmuziek was een fysieke ervaring, sensueel in de letterlijke betekenis van het woord (gericht op de zintuigen en zo op het gemoed).

Waar muziek beoefend wordt, heeft de duivel geen kans…

luther en de muziek

„Vorrede auf alle gute Gesangbücher”

In dit voorwoord voor alle goede liedboeken schreef Luther een gedicht met de titel: Frau Musika. Het verscheen voor het eerst in een uitgave van zijn vriend (cantor en medewerker) Johann Walter, Lob und Preis der löblichen Kunst Musica (1538, Wittenberg). Luther’s passie voor muziek spat eraf. Zelf speelde hij luit, zong tenor en hield ervan om polyfone muziek te zingen, zo reeds in het klooster, maar ook later ‘über ‘m Tisch’, spontaan met elkaar. Waar muziek beoefend wordt, heeft de duivel geen schijn van kans… Dat is ook de moraal van dit voorwoord.

Frau Musika

Vor allen Freuden auf Erden
Kann niemand keine feiner werden,
Denn die ich geb mit meinem Singen
Und mit manchem süßen Klingen.
Hier kann nicht sein ein böser Mut,
Wo da singen Gesellen gut,
Hier bleibt kein Zorn, Zank, Haß noch Neid,
Weichen muß alles Herzeleid;
Geiz, Sorg und was sonst hart an Leid,
Fährt hin mit aller Traurigkeit.
Auch ist ein jeder des wohl frei,
Daß solche Freud kein Sünde sei,
Sondern auch Gott viel bass gefällt
Denn alle Freud der ganzen Welt.
Dem Teufel sie sein Werk zerstört
Und verhindert viel böser Mörd.
Das zeugt Davids, des Königs Tat,
Der dem Saul oft gewehret hat
Mit gutem, süßem Harfenspiel,
Daß er in großen Mord nicht fiel.
Zum göttlichen Wort und Wahrheit
Macht sie das Herz still und bereit.
Solchs hat Elisäus bekannt,
Da er den Geist durchs Harfen fand.
Die beste Zeit im Jahr ist mein,
Da singen alle Vögelein,
Himmel und Erden ist der voll,
Viel gut Gesang da lautet wohl.
Voran die liebe Nachtigall
Macht alles fröhlich überall
Mit ihrem lieblichen Gesang,
Des muß sie haben immer Dank,
Viel mehr der liebe Herregott,
Der sie also geschaffen hat,
Zu sein die rechte Sängerin,
Der Musik eine Meisterin.
Dem singt und springt sie Tag und Nacht,
Seines Lobs sie nichts müde macht,
Den ehrt und lobt auch mein Gesang
Und sagt ihm einen ewigen Dank.

Luther en de muziek


Repetitieopname van Vox Luminis – CD Martin Luther en de muziek, 2016/2017, Outhere music. Eerst de pinksterhymne Veni Sancte Spiritus (Thomas Selle) en dan 2:05 muziek van Caspar Othmayer.

De muziek pulseert op de tactus, het licht stroomt naar binnen, en je hoort dat veel Lutherse componisten in de leer zijn geweest in Italië (m.n. Venetië: Gabrieli en Monteverdi). De Duitse 17de eeuwse kerkmuziek was m.a.w. een fysieke ervaring, sensueel in de letterlijke betekenis van het woord (gericht op de zintuigen en zo op het gemoed). Een uitgebreide bespreking van deze CD vindt u op een aparte pagina

Waar muziek beoefend wordt, heeft de duivel geen kans…

luther en de muziekLuther was een door en door muzikaal mens. Het evangelie moest je “singen und sagen” (in die volgorde). En dan heeft hij niet alleen over de gezongen lezing in de mis. Het ging om veel meer. Muziek raakt het hart en gaat dus dieper, heeft een grotere impact op de mens, dan het gesproken woord alleen. En als het evangelie het hart niet raakt en de hoorder ‘blij maakt’, maar blijft steken in het hoofd, – Luther is radicaal – dan is het het evangelie (=blijde tijding) niet. Hij spreekt hier uit ervaring. Hijzelf is door de boodschap aangaande Jezus Messias tot in zijn ziel geraakt. Hij weet ook wat het is als die boodschap niet doorkomt. Het best, het meest effectief, het meest ‘performant’ is de blijde boodschap als ze door de muziek tot in het hart gebracht wordt. De muzikale vertolking ervan en niet in het minst in polyfone zettingen, kon hem raken, ontroeren. Josquin des Prez (ca 1455 – 1521) was Luthers favoriete componist. Zelfs zocht hij in 1530 contact met Ludwig Senfl (meer hierover: zie onder). Leve de Vlaamse polyfonisten dus!  Muziek heeft hem bij menige aanval van melancholie er weer bovenop geholpen. Luisteren, èn zelf ook muziek maken, dus. Hij zong tenor en speelde luit.

Voor de eredienst bewerkte hij samen met zijn vriend en cantor, Johann Walter, het gregoriaans zodanig dat je ook in het Duits de hele mis kon zingen (kerktoonsoorten ‘verduitst’; Missa ganz Deutsch). Verder maakte hij van oud-kerkelijke Latijnse hymnen (Veni redemptor gentium, Veni creator Spiritus etc.) strofisch zingbare Duitse gezangen en vertolkte de bekendste bijbelse Psalmen in nieuwe Duitse liederen (bijv. Aus tiefer Not (Ps. 130), Ein feste Burg (ps. 46). Ook was het ordinarium van de mis in het Duits ter beschikking: Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus, al dan niet in strofische vorm. NB. Hier bouwt Luther voort op het werk van anderen. Het Gloria: Allein Gott in der Höh’ sei Ehr is bijv. van Nikolaus Decius dateert al van 1522 (Luther’s eerste liederen zijn vroegstens 1523). De cantor en het koor mochten blijven, sterker nog: moesten blijven. Zij dragen de structuur van de mis, waaraan het volk natuurlijk participeert. Graag zelfs, maar ‘massa-zang’ is niet de enige vorm van participatie. Trouwens: de mis mocht ook best af en toe – of deels tweetalig, of afwisselend – in het Latijn. No problem. Dit was overigens ook nog zo in Bach’s tijd!

De revolutie boven al zijn echter zijn ‘vrije liederen’: gezangen, koralen: biddend (Vater unser) , verkondigend (Nun freut euch lieben christen g’mein) verhalend (Vom Himmel hoch da komm ich her – kerstlied). Min of meer per ongeluk is hij daaraan begonnen, toen hij hoorde van de executie van twee Augustijner broeders in Brussel in 1523. Hij pakte toen de luit en zong zijn droefenis eruit middels een ballade: Ein neues Lied wir heben an. Luther als amateur ‘Meistersinger van Wittenberg’. Een Phonascus noemde men zo’n muzikant toen. Tekst en liedmelodie komen quasi tegelijk.

De publicatie van de eerste acht gezangen in een bundeltje (Etlich christlich Lieder) was het begin van een ongekende productie: de geboorte van het kerkelijke liedboek, waarvan overigens de oorspronkelijke bedoeling niet in eerste instantie kerkelijk-liturgisch was, maar catechetisch. Dat staat in de eerste edities zelfs vaak met zoveel woorden op de titlepagina, en bijna altijd in de diverse voorwoorden (vaak van Luthers eigen hand). Luthers liedboek is dus eerst bedoeld geweest ‘voor huis en school’ en wordt pas later ook ‘voor de kerk’. Bij Bach haal je de muzikale oogst binnen. Tot vandaag leeft deze traditie in de kerken. Luther zag dat trouwens oecumenisch, d.w.z. zijn teksten waren verankerd in de christelijke traditie van alle tijden en de muziek mocht uit alle hoeken en gaten komen als ze maar goed was. 

In volle kerkelijke crisis (1530 – Rijksdag van Augsburg) correspondeerde hij bijv. in het geheim met de componist Ludwig Senfl (Bayern, ‘paaps bolwerk’) en vroeg om een compositie om zijn angstig hart tot rust te kunnen brengen. Hij voegde de melodie bij die hij als monnik al zo mooi had gevonden (Avondgebed uit het psalmboek: In pace in idipsum) en ontving misschien niet per kerende post, maar via enkele humanistische sympathisanten in München (waarschijnlijk Bartholomeus Schrenck) de gevraagde compositie en een motet op zijn lijfspreuk: non moriar sed vivam. Deze polyfone compositie is overgeleverd. Een motet van Senfl op de antifoon In pace in idipsum is niet bewaard, d.w.z. er is een anonieme versie die ‘misschien’ van Senfl zou kunnen zijn, maar binnen zo’n ‘goed verhaal’ is de wens al snel de vader van de gedachte.

Natuurlijk heeft hij de muziek ook gepromoot. Het mooist in verschillende voorwoorden bij gezangboeken, vooral de ‘kunstzinnige’, d.w.z. waar de liederen gezet zijn voor meerdere stemmen. Het meest virtuoos doet hij het in zijn

„Vorrede auf alle gute Gesangbücher”

In dit voorwoord voor alle goede liedboeken schreef Luther een gedicht met de titel: Frau Musika. Het verscheen voor het eerst in een uitgave van zijn vriend (cantor en medewerker) Johann Walter, Lob und Preis der löblichen Kunst Musica (1538, Wittenberg). Luther’s passie voor muziek spat eraf. Zelf speelde hij luit, zong tenor en hield ervan om polyfone muziek te zingen, zo reeds in het klooster, maar ook later ‘über ‘m Tisch’, spontaan met elkaar. Waar muziek beoefend wordt, heeft de duivel geen schijn van kansDat is ook de moraal van dit voorwoord. Dat samen musiceren aan tafel, is jammer genoeg voorwerp van veel legendevorming geworden, zodat hierover ook weer heel veel onjuiste beeldvorming is ontstaan (fout = Luther als ‘luitspelende liedjesbegeleider’ zoals een gitaarspelende jeugdleider; goed = Luther die meerstemmig zowel werelds als geestelijk repertoire zingt, eerder met blokfluit dan luit. En indien al luit, dan een ‘intavolatie’)

Frau Musika

Vor allen Freuden auf Erden
Kann niemand keine feiner werden,
Denn die ich geb mit meinem Singen
Und mit manchem süßen Klingen.
Hier kann nicht sein ein böser Mut,
Wo da singen Gesellen gut,
Hier bleibt kein Zorn, Zank, Haß noch Neid,
Weichen muß alles Herzeleid;
Geiz, Sorg und was sonst hart an Leid,
Fährt hin mit aller Traurigkeit.
Auch ist ein jeder des wohl frei,
Daß solche Freud kein Sünde sei,
Sondern auch Gott viel bass gefällt
Denn alle Freud der ganzen Welt.
Dem Teufel sie sein Werk zerstört
Und verhindert viel böser Mörd.
Das zeugt Davids, des Königs Tat,
Der dem Saul oft gewehret hat
Mit gutem, süßem Harfenspiel,
Daß er in großen Mord nicht fiel.
Zum göttlichen Wort und Wahrheit
Macht sie das Herz still und bereit.
Solchs hat Elisäus bekannt,
Da er den Geist durchs Harfen fand.
Die beste Zeit im Jahr ist mein,
Da singen alle Vögelein,
Himmel und Erden ist der voll,
Viel gut Gesang da lautet wohl.
Voran die liebe Nachtigall
Macht alles fröhlich überall
Mit ihrem lieblichen Gesang,
Des muß sie haben immer Dank,
Viel mehr der liebe Herregott,
Der sie also geschaffen hat,
Zu sein die rechte Sängerin,
Der Musik eine Meisterin.
Dem singt und springt sie Tag und Nacht,
Seines Lobs sie nichts müde macht,
Den ehrt und lobt auch mein Gesang
Und sagt ihm einen ewigen Dank.

Of kijk eens naar deze korte impressie vanuit Dresden met fragmenten van Heinrich Schütz, Michael Praetorius, en Melchior Franck: