CD: Mitten im Leben – 1517 (Calmus ensemble & Lautten Compagney)

1517 – Mitten im Leben
Calmus Ensemble | Lautten Compagney | Wolfgang Katschner.
Label: Carus 83.477

Met/op deze cd proberen deze beide Duitse top-ensembles (zang/instrumentaal) de sfeer van het gewone leven rond Maarten Luther te treffen. Vandaar de prachtige titel: 1517 – Mitten im Leben. Een kenner snapt dat hij ‘Mitten im Leben’ zowel letterlijk als lieder-lijk moet verstaan: Het is immers ook de eerste regel van Luthers bewerking van Media in vita. Iedere Duitser weet dat (nou ja). Vertalen in het Nederlands zonder referentieverlies is natuurlijk onmogelijk (terzijde: Toen de musici te gast waren in Herentals had de organisator het concert herdoopt tot Hoe klonk 1517 ?. Goed gevonden).

Op cd staat natuurlijk geestelijke muziek uit Luthers tijd, maar wat de cd onderscheidt van veel andere cd’s die in het Lutherjaar zijn verschenen, is dat de muzikale directeur (Ludwig Böhme) ook wereldlijke liederen uit de tijd van Luther heeft geprogrammeerd. En zoals u weet, betekent werelds in deze tijd dat het scrabreus, grof, volks en hyperkunstzinnig tegelijk kan zijn. En ook deze kende Luther, en zong hij, of voorzag de gekende melodieën van een geestelijke tekst. Allemaal vanuit de overtuiging dat muziek de beste communicatievorm is als je een belangrijke boodschap aan de mensen wilt doorgeven.

De cd opent (en sluit) met klokgelui, d.w.z. met de ingenieuze compositie van Ludwig Senfl, waarin zang en instrumenten samen het ‘Geläut zu Speyer’ bezingen en vertolken, d.w.z. laten horen. Dezelfde Senfl – door Luther hooggeschat en waarschijnlijk vice versa, maar dat kon Senfl natuurlijk nooit hardop zeggen – is ook aanwezig met een aantal geestige wereldse ballade’s, zoals “Es hett ein Biedermann ein Weib,” over een jonge vrouw die haar uithuizige man probeert te bedriegen in ‘t hooi, maar wordt betrapt, in ‘t hooi. Verder valt op een bijna cynisch spotlied van Stephan Zirler, waarin de zanger de oneindige voordelen bezingt van het rooms-katholieke boetesysteem, waarmee je je hedonistische levensstijl kunt handhaven, doordat je de schuld afkoopt met geld. Daarom: ‘Ich will fürhin gut päpstlich sein, des Luthers Lehr verachten’. Deze beide nummers zijn hier voor het eerst opgenomen, omdat ze pas onlangs zijn ontdekt in een liedcollectie uit 1556 (Neurenberg).

Natuurlijk zijn er ook enkele geestelijke motetten te horen. Naast een Agnus Dei van Josquin Desprez, twee psalmmotetten: Thomas Stoltzer, Herr, wie lang willt du mein so gar vergessen (psalm 13) en het bijzonder kunstvolle Psalmmotet Beati Immaculati in via van Luther’s vriend en muzikale rechterhand, Johann Walter. Het eerstgenoemde wordt sober en zeer geconcentreerd gezongen en is juist daarom zeer intens, terwijl het laatstgenoemde (een zeer complex werk) zo wordt uitgevoerd, dat de compositie transparant wordt (wat van de meeste andere uitvoeringen van dit stuk niet gezegd kan worden). Beati Immaculati in via (Psalm 119) is door Walter gecomponeerd voor de inwijding van de nieuwe slotkerk in Torgau (1544). Het werd uitgevoerd in aanwezigheid van alle grote mannen van de Reformatie, incl. Luther (die de dienst leidde) en de keurvorst. Dit zevenstemmige werk bestaat uit 5 canons, die achtereenvolgens worden ingezet en elk twee welgekozen verzen zingen uit Psalm 119 (die in totaal 176 verzen telt), terwijl een ostinate bas onafgebroken zingt ‘Vive Luthere, Vive Melanchthon’. De zevende stem is de alt, die de Keurvorst prijst. Een compositietechniek die mij nog het meest doet denken aan de ars nova muziek uit de late Middeleeuwen. Het resultaat is ‘stunning’… Vooral de live-uitvoering tijdens het reeds genoemde concert is mij nog lang bijgebleven. Hier kunt u de origeinel stemboeken zien in pdf en de track van de cd beluisteren.

Het Calmus Ensemble laat zich op deze cd begeleiden door – neen, dat is verkeerd gezegd: werkt hier samen met – de Lautten Compagney (Wolfgang Katschner). De sonore klank van Renaissanceluiten (waaronder ook een basluit, de Colascione), en de prachtige tonen van de blazers (bazuinen, fluiten, en cornet) zorgen voor een heel geslaagd en gelaagd kleurenpalet. De link tussen de wereldse en geestelijke muziek wordt hierdoor zeer duidelijk. Ludwig Böhme noemt in het booklet dit een bewuste ‘commmunicatiestrategie’ van de hervormers, die hun ideeën verspreidden middels Duitse liederen, daarbij geholpen door efficiënte vernieuwingen in de kunst van de muzieknotendrukkunst.

Crossover tussen Oude Muziek en Pop.

Böhme en Katschner (en twee anderen) hebben het idee van de Hervormers zelf ook weer opgepakt en transformeren enkele van de bekendste liederen uit de tijd van de Reformatie in pop ballads en jazz nummers. Katschners arrangeerde o.a. “Ach bittrer Winter” en Böhme “So treiben wir den Winter aus”. Ook het overbekende “Ach Elslein, liebes Elslein” moet zo’n behandeling ondergaan. Leuk, voor tussendoor, maar een beetje teveel van het goede. De nieuwe bewerkingen, goed gemaakt, moeten het afleggen tegen de zeer competente en krachtige Renaissance muziek zelf. Gelukkig wordt die op deze cd op zeer overtuigende wijze gebracht. Van mij had het dus ook kwantitatief wel iets meer Renaissance en een iets minder Eigentijds mogen zijn. Maar ja: Carus-Verlag moet ook zijn partituren aan de man brengen.

Dus toch: van harte aanbevolen !

Tracklist:

  1. Ludwig Senfl: Das Geläut zu Speyer
  2. Johann Walter: Beati immaculati in via
  3. Stephan Zirler: Ich will fürthin gut päpstlich sein
  4. Ludwig Senfl, arr. Juan Garcia: Ach Elslein, liebes Elselein
  5. Traditionell, arr. Sebastian Krause: All mein Gedanken, die ich hab
  6. Orlando di Lasso: Nun grüß dich Gott, mein Mündlein rot
  7. Anonymus: Bummelierst du mir
  8. Ludwig Senfl: Mir ist ein rot Goldfingerlein
  9. Ludwig Senfl: Es hett ein Biedermann ein Weib
  10. Hans Neusidler / Melchior Neusidler: Wascha mesa / Passa é mezo Lamillanesa
  11. Jobst vom Brandt: Lass rauschen, Sichele, rauschen
  12. Traditionell, arr. Ludwig Böhme: Gesegn dich Laub
  13. Traditionell, arr. Ludwig Böhme: O Tannenbaum
  14. Traditionell, arr. Wolfgang Katschner: Ach bittrer Winter
  15. Josquin Desprez: Sit nomen Domini
  16. Traditionell, arr. Ludwig Böhme: So treiben wir den Winter aus
  17. Martin Luther, arr. Bo Wiget: Mitten wir im Leben sind
  18. Thomas Stoltzer: Herr, wie lang willt du mein so gar vergessen
  19. Josquin Desprez: Agnus Dei
  20. Martin Luther, arr. Sebastian Krause: Vater unser im Himmelreich
  21. Heinrich Isaac/Johann Sebastian Bach: Innsbruck, ich muss dich lassen / Nun ruhen alle Wälder
  22. Josquin Desprez: Scaramella va alla guerra
  23. Orlando di Lasso: Matona mia cara
  24. Anonymus: Wir zogen in das Feld
  25. Ludwig Senfl: Das Geläut zu Speyer

 

Het evangelie ‘zingen’…

‘Euangelion’ ist ein griechisch Wort, und heißt auf deutsch gute Botschaft, gute Mär, gute Neuzeitung, gut Geschrei, davon man singet, saget und fröhlich ist.

[klik hier voor de bespreking van twee recente CD’s]

Eigenlijk zegt deze zin, die niet over de muziek maar over de betekenis van het Griekse woord ‘evangelie’ gaat, alles over Luther en de muziek. Ze staat in Vorrede van wat Lutheranen het ‘Septembertestament’ noemen. Dat is Luthers fameuze vertaling van het Nieuwe Testament in het Duits die hij op de Wartburg heeft gemaakt en die net op tijd van de drukpers was gerold om nog op de boekenbeurs van Frankfurt (september 1522) te kunnen worden gepromoot, maar dit terzijde. Waar het om gaat is dit. Voor Luther is het vanzelfsprekend dat je berichten die je belangrijk vindt, zoals het evangelie, ‘zingt’. Het woord valt Luther zelfs nog eerder in dan het woord voor ‘sagen’ (vertellen). Als hij zegt dat muziek een gave is van de Allerhoogste God, in rangorde komend net na het Woord zelf, dan meent hij wat hij zegt. Dat is bijzonder, want lofprijzingen op de muziek in het algemeen, speculaties over ‘Heavenly Harmony’ (muziek der sferen), en de wonderkracht van het lied (David èn Orpheus) behoren namelijk tot het standaardrepertoire van elke theoloog tussen ca. 300-1800 hoorden. Die moèt ieder zichzelf respecterende theoloog wel schrijven. Ze zeggen dus niet veel over hoe de schrijver het zelf beleefde. U vindt ze ook bij Calvijn bijv, die ze gebruikt om zijn Psalmberijmingen te motiveren. Bij hem heb je echter geen andere aanduidingen dat muziek of zingen hem zelf ook iets deed. Het zijn uitdrukkingen van het (neo-)Platoonse wereldbeeld, expressies van het geloof in de Schepper, wiens geest zich volkomen zou hebben uitgedrukt in de harmonie van de kosmos.

Luther meende echter wel degelijk wat hij zei op dit terrein en dat kunnen we afleiden uit wat hij heeft gedaan. Hij heeft namelijk naar hartelust zèlf gezongen. Als knaap in het koor, als student in ‘bedelkoren’ langs de deuren van de gegoede burgerij, als monnik tijdens de vieringen en het dagelijks psalmgebed, als priester bij de evangelielezing, de gebeden en – hoogtepunt – bij de canon van de mis. Hij had een heldere tenor, zo is geweten, en aan tafel werd er bij hem duchtig gezongen, met z’n gasten. En dat ging van liederen bij het eten en drinken, tot ballades tot polyfone Latijnse motetten van Josquin Desprez en Ludwig Senfl. De eerste was zijn favoriet, de tweede was met hem bevriend en heeft in 1530, toen Luther in de Coburg wachtte op de uitkomst van de cruciale Rijksdag van Augsburg, op zijn verzoek enkele kleine motetten (Non moriar sed vivam, en In pace inidipsum) voor hem gecomponeerd. Dat kon/mocht helemaal niet, want Senfl was in dienst van één van Luthers felste tegenstanders (Albrecht IV, München – Bayern), maar het gebeurde toch, de stad in- en uitgesmokkeld door tussenpersonen. En dat nog wel in 1530 precies op het moment dat op de rijksdag in Augsburg beslist werd over het lot van de Lutherse vorsten die een ‘Protestation’ hadden ingediend bij de keizer en Luther zich zat te verbijten van angst dat het mis zou gaan op de Coburg. Het leven is sterker dan de leer. En muziek trekt zich niets aan van confessionele grenzen.

Luthers dichtader is aangeboord in dezelfde periode dat hij de bijbel vertaalde. Logisch, want om een psalm of het Hooglied te vertalen, moet je zelf eigenlijk ook dichter zijn, of op z’n minst een sterk taalgevoel hebben. Dat had Luther. Tegelijk had hij – waarschijnlijk voor privé-gebruik – ook al eens geprobeerd om enkele Latijnse hymnen over te zetten in het Duits. De net in Wittenberg gearriveerde cantor Johann Walter was erbij. Hij is het die waarschijnlijk – terwijl Luther de teksten vertaalde – de wat zwevende gregoriaanse melodiek ook ‘verdichtte’ tot er een liedmelodie ontstond met een duidelijk begin, midden en einde. Zo ontstond Nun komm der Heiden Heiland (Veni redemptor Gentium) voor Advent/Kerst, eeuwenlang ‘gezang nr. 1’ in elk Duits kerkelijke liedboek. Ook begon hij zingend te catechiseren. Een vertellende samenvatting van het evangelie: Nun freut euch lieben christ g’mein of het Kerstverhaal voor kinderen verteld door de engel Gabriël: Von Himmel hoch da komm ich her. Of deze liederen ook bedoeld waren voor de eredienst, waag ik te betwijfelen. Ik zie in die eerste vrije liederen van Luther eerder gezangen voor ‘huis en school’ (de broodnodige catechese) dan voor de liturgie. De lange leerstellige toelichtingen en onderbouwingen die in de eerste liedboekjes uit 1524 (‘Enchiridion’ en ‘Etlich christlich Lieder’) zijn opgenomen, maken dat aannemelijk. De sterkste indicatie echter zit ’m in het feit dat ook Luthers ballade over de marteldood van de twee Antwerpse ordebroeders, Johan van Essen en Hendrik Vos, in diezelfde liedboekjes is opgenomen, bepaald geen liturgisch lied. Het is ook eerder buiten Wittenberg aantoonbaar dat het volk koralen begon te zingen, dan in Wittenberg zelf.

Luther bleef zweren bij de ‘gezongen mis’, die hij dan ook vertaalde (taal en muziek) in het Duits, opnieuw samen met Johann Walter. De liturgische onderdelen in het Duits, inderdaad, plus een Psalm aan het begin, maar alles in kerktoonsoorten. Een koraal als ‘gebed om de heilige Geest’ (Komm, Heiliger Geist, Herre Gott). Luthers berijming van de geloofsbelijdenis en het Sanctus kan men nauwelijks een ‘gezang’ noemen. Pas in 1529 verschijnen de bekende koralen in het Liedboek, waaronder het Vater unser. De cantorij vervulde dus nog steeds zijn rol in de liturgie. Het zong motetten (meestal in het Latijn, geleidelijk steeds meer in het Duits). Johann Walter gaf ook onmiddellijk meerstemmige versies uit van de nieuwe liederen van Luther en zijn collega’s (vanaf 1525): het ‘Geistliches Gesangbuchlein’ met 3-4-5 stemmige zettingen, klassiek, polyfoon, ook van de nieuwe Lutherse koralen, zowel de hymnische als de vertellende: de geestelijke ballades. Deze eerste edities leiden – mede omdat Luther in het voorwoord hiertoe ook een oproep deed – tot een ware explosie aan dichterlijke-muzikale activiteit getriggerd door Luthers nauwe verbinding tussen ‘evangelie verkondigen’ en ‘zingen’.

Waarom zingen? Omdat het evangelie het hart moet raken. Omdat platte taal de blijde boodschap niet overbrengt. Mensen moeten door de manier waarop de Heilige Schrift gereciteerd, vertolkt wordt, de indruk krijgen dat God hen zelf aanspreekt. Luther meent wat hij zegt als hij stelt dat God zelf spreekt als de bijbelse woorden klinken. Viva vox evangelii. Beter nog dan in een preek, kan het lied dat doen. En het sterkst doet dat lied het, als het de emotieve kracht van de muziek ten volle gebruikt: The utmost for the Highest. Psalm 150 is Luther uit het hart gegrepen.

En zoals gezegd: De Lutherse kerkmuziek bleef gewoon meegroeien met de breed-Europese muziekontwikkeling, die in de rooms-katholieke landen in de tijd van de contra-reformatie een grote bloei kende. U kunt dat ook gewoon horen. Koop een willekeurige CD met Lutherse kerkmuziek uit de 16de en 17de eeuw (Johann Walter, Melchior Franck, Michael Praetorius, Heinrich Schütz, Samuel Scheidt, Thomas Selle, om maar enkele muzikanten-cantores-componisten) te noemen. Luister naar de ‘Figuralmusic’ (= muziek voor de capella (zangers en instrumenten) die zij gecomponeerd hebben en u ziet dat men nooit de band heeft verbroken met de kerkmuziek van Rome. U herkent de klassiek geschoolde componisten (vlaamse polyfonie). U hoort dat men les is gaan volgen (ook letterlijk) bij Giovanni Gabrieli, Claudio Monteverdi. Vanuit de Duitse en Scandinavische landen stuurden de vorsten hun meest begaafde zangers (componisten in spe) naar Venetië.

Een verschil is natuurlijk dat de volkstaal door deze componisten ook gebruikt wordt voor geestelijke muziek. Het aandeel van op muziek gezette bijbelteksten neemt toe. Ook bloeit het Evangeliemotet. Maar qua muzikale inventie en vorm blijven het motetten, maar nu in het Duits. De koraalmelodieën en teksten worden ook gebruikt, en leiden tot een aparte motetvorm gebaseerd op de melodie, die per strofe muzikaal wordt gevarieerd (zoals in doorgecomponeerde orgelvariaties). Ook wordt de tekst en/of de melodie gebruikt als materiaal om door een motet heen te vlechten. Wat nog opvalt is dat de meerkorige techniek vaak ruimer bezet wordt. Het wordt wat massaler, wat overigens veroorzaakt wordt doordat – precies – in de Lutherse traditie niet alleen vorsten bereid zijn in de muziek te investeren, maar ook stadsbesturen er veel geld voor over hebben om in de grote stadkerken te kunnen uitpakken met feestmuziek. Door de enige echte Lutherse vernieuwing, de introductie van het ‘koraal’, kan in zo’n muziekfestijn ook ‘het volk’ participeren. Componisten krijgen er niet genoeg van om al die middelen tegelijk, of beter, beurtelings (alternatim) in te zetten. Het oeuvre van Michael Praetorius biedt een staalkaart van wat in een middelgrote Duitse (en Deense, en Zweedse, en Poolse) stad mogelijk is geweest. Ook het orgel kan z’n ding doen, voluit. Wat men bij Sweelinck heeft geleerd (die het enkel voor en na de viering mocht doen), kan men in Duitsland gewoon integreren in de liturgie. Wat een muziekfeest moet de kerkgang toen zijn geweest, zeker op kerkelijke hoogdagen.

Frau Musica

 

 Vox Luminis – CD Martin Luther en de muziek, 2016/2017, Outhere music. 

Deze repetitieopname begint met de hymne Veni Sancte Spiritus (Thomas Selle – cantor te Hamburg – meerkorig werk, Venetiaans, fraai) en @ 2:05 Caspar Othmayer (16de eeuw, musicus en predikant, polyfoon). Een prachtige uitvoering door Vox Luminis. Onder leiding van Lionel Meunier pulseert de muziek op de tactus, stroomt het licht naar binnen, en hoor je dat veel Lutherse componisten in de leer zijn geweest in Venetië (Gabrieli en Monteverdi). De Duitse 17de eeuwse kerkmuziek was een fysieke ervaring, sensueel in de letterlijke betekenis van het woord (gericht op de zintuigen en zo op het gemoed).

Waar muziek beoefend wordt, heeft de duivel geen kans…

luther en de muziek

„Vorrede auf alle gute Gesangbücher”

In dit voorwoord voor alle goede liedboeken schreef Luther een gedicht met de titel: Frau Musika. Het verscheen voor het eerst in een uitgave van zijn vriend (cantor en medewerker) Johann Walter, Lob und Preis der löblichen Kunst Musica (1538, Wittenberg). Luther’s passie voor muziek spat eraf. Zelf speelde hij luit, zong tenor en hield ervan om polyfone muziek te zingen, zo reeds in het klooster, maar ook later ‘über ‘m Tisch’, spontaan met elkaar. Waar muziek beoefend wordt, heeft de duivel geen schijn van kans… Dat is ook de moraal van dit voorwoord.

Frau Musika

Vor allen Freuden auf Erden
Kann niemand keine feiner werden,
Denn die ich geb mit meinem Singen
Und mit manchem süßen Klingen.
Hier kann nicht sein ein böser Mut,
Wo da singen Gesellen gut,
Hier bleibt kein Zorn, Zank, Haß noch Neid,
Weichen muß alles Herzeleid;
Geiz, Sorg und was sonst hart an Leid,
Fährt hin mit aller Traurigkeit.
Auch ist ein jeder des wohl frei,
Daß solche Freud kein Sünde sei,
Sondern auch Gott viel bass gefällt
Denn alle Freud der ganzen Welt.
Dem Teufel sie sein Werk zerstört
Und verhindert viel böser Mörd.
Das zeugt Davids, des Königs Tat,
Der dem Saul oft gewehret hat
Mit gutem, süßem Harfenspiel,
Daß er in großen Mord nicht fiel.
Zum göttlichen Wort und Wahrheit
Macht sie das Herz still und bereit.
Solchs hat Elisäus bekannt,
Da er den Geist durchs Harfen fand.
Die beste Zeit im Jahr ist mein,
Da singen alle Vögelein,
Himmel und Erden ist der voll,
Viel gut Gesang da lautet wohl.
Voran die liebe Nachtigall
Macht alles fröhlich überall
Mit ihrem lieblichen Gesang,
Des muß sie haben immer Dank,
Viel mehr der liebe Herregott,
Der sie also geschaffen hat,
Zu sein die rechte Sängerin,
Der Musik eine Meisterin.
Dem singt und springt sie Tag und Nacht,
Seines Lobs sie nichts müde macht,
Den ehrt und lobt auch mein Gesang
Und sagt ihm einen ewigen Dank.

Luther en de muziek


Repetitieopname van Vox Luminis – CD Martin Luther en de muziek, 2016/2017, Outhere music. Eerst de pinksterhymne Veni Sancte Spiritus (Thomas Selle) en dan 2:05 muziek van Caspar Othmayer.

De muziek pulseert op de tactus, het licht stroomt naar binnen, en je hoort dat veel Lutherse componisten in de leer zijn geweest in Italië (m.n. Venetië: Gabrieli en Monteverdi). De Duitse 17de eeuwse kerkmuziek was m.a.w. een fysieke ervaring, sensueel in de letterlijke betekenis van het woord (gericht op de zintuigen en zo op het gemoed). Een uitgebreide bespreking van deze CD vindt u op een aparte pagina

Waar muziek beoefend wordt, heeft de duivel geen kans…

luther en de muziekLuther was een door en door muzikaal mens. Het evangelie moest je “singen und sagen” (in die volgorde). En dan heeft hij niet alleen over de gezongen lezing in de mis. Het ging om veel meer. Muziek raakt het hart en gaat dus dieper, heeft een grotere impact op de mens, dan het gesproken woord alleen. En als het evangelie het hart niet raakt en de hoorder ‘blij maakt’, maar blijft steken in het hoofd, – Luther is radicaal – dan is het het evangelie (=blijde tijding) niet. Hij spreekt hier uit ervaring. Hijzelf is door de boodschap aangaande Jezus Messias tot in zijn ziel geraakt. Hij weet ook wat het is als die boodschap niet doorkomt. Het best, het meest effectief, het meest ‘performant’ is de blijde boodschap als ze door de muziek tot in het hart gebracht wordt. De muzikale vertolking ervan en niet in het minst in polyfone zettingen, kon hem raken, ontroeren. Josquin des Prez (ca 1455 – 1521) was Luthers favoriete componist. Zelfs zocht hij in 1530 contact met Ludwig Senfl (meer hierover: zie onder). Leve de Vlaamse polyfonisten dus!  Muziek heeft hem bij menige aanval van melancholie er weer bovenop geholpen. Luisteren, èn zelf ook muziek maken, dus. Hij zong tenor en speelde luit.

Voor de eredienst bewerkte hij samen met zijn vriend en cantor, Johann Walter, het gregoriaans zodanig dat je ook in het Duits de hele mis kon zingen (kerktoonsoorten ‘verduitst’; Missa ganz Deutsch). Verder maakte hij van oud-kerkelijke Latijnse hymnen (Veni redemptor gentium, Veni creator Spiritus etc.) strofisch zingbare Duitse gezangen en vertolkte de bekendste bijbelse Psalmen in nieuwe Duitse liederen (bijv. Aus tiefer Not (Ps. 130), Ein feste Burg (ps. 46). Ook was het ordinarium van de mis in het Duits ter beschikking: Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus, al dan niet in strofische vorm. NB. Hier bouwt Luther voort op het werk van anderen. Het Gloria: Allein Gott in der Höh’ sei Ehr is bijv. van Nikolaus Decius dateert al van 1522 (Luther’s eerste liederen zijn vroegstens 1523). De cantor en het koor mochten blijven, sterker nog: moesten blijven. Zij dragen de structuur van de mis, waaraan het volk natuurlijk participeert. Graag zelfs, maar ‘massa-zang’ is niet de enige vorm van participatie. Trouwens: de mis mocht ook best af en toe – of deels tweetalig, of afwisselend – in het Latijn. No problem. Dit was overigens ook nog zo in Bach’s tijd!

De revolutie boven al zijn echter zijn ‘vrije liederen’: gezangen, koralen: biddend (Vater unser) , verkondigend (Nun freut euch lieben christen g’mein) verhalend (Vom Himmel hoch da komm ich her – kerstlied). Min of meer per ongeluk is hij daaraan begonnen, toen hij hoorde van de executie van twee Augustijner broeders in Brussel in 1523. Hij pakte toen de luit en zong zijn droefenis eruit middels een ballade: Ein neues Lied wir heben an. Luther als amateur ‘Meistersinger van Wittenberg’. Een Phonascus noemde men zo’n muzikant toen. Tekst en liedmelodie komen quasi tegelijk.

De publicatie van de eerste acht gezangen in een bundeltje (Etlich christlich Lieder) was het begin van een ongekende productie: de geboorte van het kerkelijke liedboek, waarvan overigens de oorspronkelijke bedoeling niet in eerste instantie kerkelijk-liturgisch was, maar catechetisch. Dat staat in de eerste edities zelfs vaak met zoveel woorden op de titlepagina, en bijna altijd in de diverse voorwoorden (vaak van Luthers eigen hand). Luthers liedboek is dus eerst bedoeld geweest ‘voor huis en school’ en wordt pas later ook ‘voor de kerk’. Bij Bach haal je de muzikale oogst binnen. Tot vandaag leeft deze traditie in de kerken. Luther zag dat trouwens oecumenisch, d.w.z. zijn teksten waren verankerd in de christelijke traditie van alle tijden en de muziek mocht uit alle hoeken en gaten komen als ze maar goed was. 

In volle kerkelijke crisis (1530 – Rijksdag van Augsburg) correspondeerde hij bijv. in het geheim met de componist Ludwig Senfl (Bayern, ‘paaps bolwerk’) en vroeg om een compositie om zijn angstig hart tot rust te kunnen brengen. Hij voegde de melodie bij die hij als monnik al zo mooi had gevonden (Avondgebed uit het psalmboek: In pace in idipsum) en ontving misschien niet per kerende post, maar via enkele humanistische sympathisanten in München (waarschijnlijk Bartholomeus Schrenck) de gevraagde compositie en een motet op zijn lijfspreuk: non moriar sed vivam. Deze polyfone compositie is overgeleverd. Een motet van Senfl op de antifoon In pace in idipsum is niet bewaard, d.w.z. er is een anonieme versie die ‘misschien’ van Senfl zou kunnen zijn, maar binnen zo’n ‘goed verhaal’ is de wens al snel de vader van de gedachte.

Natuurlijk heeft hij de muziek ook gepromoot. Het mooist in verschillende voorwoorden bij gezangboeken, vooral de ‘kunstzinnige’, d.w.z. waar de liederen gezet zijn voor meerdere stemmen. Het meest virtuoos doet hij het in zijn

„Vorrede auf alle gute Gesangbücher”

In dit voorwoord voor alle goede liedboeken schreef Luther een gedicht met de titel: Frau Musika. Het verscheen voor het eerst in een uitgave van zijn vriend (cantor en medewerker) Johann Walter, Lob und Preis der löblichen Kunst Musica (1538, Wittenberg). Luther’s passie voor muziek spat eraf. Zelf speelde hij luit, zong tenor en hield ervan om polyfone muziek te zingen, zo reeds in het klooster, maar ook later ‘über ‘m Tisch’, spontaan met elkaar. Waar muziek beoefend wordt, heeft de duivel geen schijn van kansDat is ook de moraal van dit voorwoord. Dat samen musiceren aan tafel, is jammer genoeg voorwerp van veel legendevorming geworden, zodat hierover ook weer heel veel onjuiste beeldvorming is ontstaan (fout = Luther als ‘luitspelende liedjesbegeleider’ zoals een gitaarspelende jeugdleider; goed = Luther die meerstemmig zowel werelds als geestelijk repertoire zingt, eerder met blokfluit dan luit. En indien al luit, dan een ‘intavolatie’)

Frau Musika

Vor allen Freuden auf Erden
Kann niemand keine feiner werden,
Denn die ich geb mit meinem Singen
Und mit manchem süßen Klingen.
Hier kann nicht sein ein böser Mut,
Wo da singen Gesellen gut,
Hier bleibt kein Zorn, Zank, Haß noch Neid,
Weichen muß alles Herzeleid;
Geiz, Sorg und was sonst hart an Leid,
Fährt hin mit aller Traurigkeit.
Auch ist ein jeder des wohl frei,
Daß solche Freud kein Sünde sei,
Sondern auch Gott viel bass gefällt
Denn alle Freud der ganzen Welt.
Dem Teufel sie sein Werk zerstört
Und verhindert viel böser Mörd.
Das zeugt Davids, des Königs Tat,
Der dem Saul oft gewehret hat
Mit gutem, süßem Harfenspiel,
Daß er in großen Mord nicht fiel.
Zum göttlichen Wort und Wahrheit
Macht sie das Herz still und bereit.
Solchs hat Elisäus bekannt,
Da er den Geist durchs Harfen fand.
Die beste Zeit im Jahr ist mein,
Da singen alle Vögelein,
Himmel und Erden ist der voll,
Viel gut Gesang da lautet wohl.
Voran die liebe Nachtigall
Macht alles fröhlich überall
Mit ihrem lieblichen Gesang,
Des muß sie haben immer Dank,
Viel mehr der liebe Herregott,
Der sie also geschaffen hat,
Zu sein die rechte Sängerin,
Der Musik eine Meisterin.
Dem singt und springt sie Tag und Nacht,
Seines Lobs sie nichts müde macht,
Den ehrt und lobt auch mein Gesang
Und sagt ihm einen ewigen Dank.

Of kijk eens naar deze korte impressie vanuit Dresden met fragmenten van Heinrich Schütz, Michael Praetorius, en Melchior Franck: