De Lutherbijbel, 20 jaar teamwork

Luther heeft de hele bijbel in het Duits vertaald. Dat is een feit. En dat is een geweldige prestatie. Maar dit project dat hij in 1522 is gestart, is ook omgeven door veel misverstanden en propaganda. Zo is het niet de eerste vertaling in het Duits. Ook heeft hij die niet in z’n eentje vertaald. En hij heeft niet eens consequent uit de grondtalen vertaald… Evenmin heeft hij de tekst naar believen veranderd als hem dat zo uitkwam (zoals je in populaire boeken over Luther wel eens leest). Ook de afwijkingen hebben hun (theo-)logica. Vandaar deze pagina. Qua inhoud is ze gebaseerd op het eerste deel van de excellente pagina van de duitse wikipedia: https://de.wikipedia.org/wiki/Lutherbibel (Daar uitvoerige bronvermeldingen).

Luther begon in de winter van 1521/2 met zijn vertaling. In september 1522 was de eerste druk van het Nieuwe Testament te krijgen (net op tijd voor de boekenbeurs in Leipzig) Het septembertestament. In december volgde al een tweede druk. Daarna ging het een stuk trager: Het Oude Testament komt in afleveringen en in 1534 is de volledige Lutherbijbel in het Duits beschikbaar. Tot 1545 blijft Luther er met z’n collega’s aan werken, komen er steeds gecorrigeerde herdrukken uit. In 1545 is dan de definitieve versie van de Biblia Deudsch beschikbaar, door Luther zelf goedgekeurd.

De Lutherbijbel, een vertaling ‘apart’

Status: De duitse Evangelische Kirche (EKD) heeft nog steeds een voorkeur voor Luthers vertaling, ookal is die wetenschappelijk op bepaalde punten voorbijgestreefd. De reden is simpel: de taal van die bijbel heeft de spiritualiteit en de cultuur gestempeld (Als u Bach hoort, hoort u Luther). In veel Duitse kerken kiest men voor een herziene versie van de Lutherbijbel (1912, 1984, 2017). Sommige vertaalvondsten van Luther zijn zo sterk in de traditie (cultuur) verankerd dat ze in de bijbel moeten blijven staan, vond men, in elk geval in voetnoten. U vindt hier hieronder enkele voorbeelden. Op de genoemde wikipagina nog veel meer.

titelpagina van 1545

 

Op weg naar de Biblia Deudsch van 1545

In de winter 1521/1522 vertaalde Luther het Neuwe Testament op de Wartburg. Eerstiets over dat bijzonder project in die bijzondere periode van Luthers leven. Dan daarna over de vertaling van de rest (veruit het grootste deel, zowel qua omvang als tijd).

Vertaling van het Nieuwe Testament 1521-1522

Ondergedoken als „Junker Jörg“, begon Luther op de Wartburg met de vertaling van het NT vanuit het Grieks. Philipp Melanchthon is degene die hem hiertoe heeft aangezet, waarschijnlijk in december 1521. De eerst aanstoot hiertoe ligt bij Erasmus die in 1516 het Griekse NT in druk heeft uitgegeven (Leuven) met aantekeningen en een eigen Latijnse vertaling. Verschillende humanistische geleerden hadden inmiddels als delen ervan in het Duits vertaald. Johannes Lang , Augustijn net als Luther, en docent Grieks in Erfurt, had bijvoorbeeld al een duitse versie van het Mattheusevangelie laten drukken. Luther vond die vertaling niet toegankelijk (niet ‘Duits’) genoeg en zette zich aan het werk.

Luthers Griekse toolkit 

Erasmus: Novum instrumentum (Leuven 1516, NT in het Grieks en Latijn). In de editie van 1519 vertaalt Erasmus het griekse woord ‘metanoeite’ (bekeert u), dat gewoonlijk met ‘doet boete – agite penitentiam – werd vertaald op een zeer originele manier: resipiscite (wordt weer wijs!, of: Kom tot uzelf). Ook bij Erasmus is de oproep tot pentitentie in dit woord van Jezus, dus verdwenen, precies het punt dat Luther maakte in de eerste van zijn 95 stellingen.

Luther kende natuurlijk de de Griekse tekst van Erasmus (Novum Instrumentum omne, waarbij Erasmus in elke volgende editie zijn eigen vertaling her en der aanpaste – dus elke editie is op zich te beoordelen). Op de Wartburg had hij de 2de druk (1519) bij zich. De Vulgata (de standaard Latijnse bijbel) kende hij waarschijnlijk zo goed als uit zijn hoofd. Erasmus’ editie was een belangrijke hulp, omdat het Grieks van Luther (nog) niet zo goed was dat hij zonder hulp van anderen (filologen, echte Graecisten, zoals Erasmus of Melanchthon) het werk had kunnen volbrengen.

Luther vertaalt – belangrijk punt – niet volgens een voorafbedacht systeem. Hij vertaalt met al zijn kennis en kunnen, op het gevoel. De keuzes die hij maakt wisselen nog al. Dat leidt tot volgende vaststellingen:1

  1. Hij volgt gewoon de Vulgata (Latijnse vertaling) en vertaalt de Griekse tekst conform.
  2. Hij volgt de Vulgata en vertaalt tegen de Griekse tekst in.
  3. Hij volgt de Vulgata, ook al heeft Erasmus die vanuit het Grieks gecorrigeerd.
  4. Hij volgt de vertaling van Erasmus tegen de Vulgata in [NB: Waar de Vulgata afwijkt van het Griekse origineel, is dit Luthers ‘standard procedure’].
  5. Hij volgt in zijn vertaling de opmerkingen/kanttekeningen  van Erasmus die tegen de vertaling van de Vulgata ingaan, ook als Erasmus zelf die niet heeft doorgevoerd in zijn Latijnse vertaling.
  6. Hij verbindt inzichten verschillende disciplines en komt dan tot een eigen vertaling.
  7. Hij vertaalt verkeerd uit het Grieks, tegen Erasmus en tegen de Vulgata in.
  8. Hij vertaalt vrij, naar de betekenis, vaak aangespoord door opmerkingen van Erasmus.

De invloed van de Latijnse bijbel (Vulgata)

Het is dus maar een deel van de waarheid dat Luther zich in deze arbeid – het humanistische Motto Ad fontes volgend – van de Vulgata zou hebben afgewend en zich gericht zou hebben op de Griekse oertekst. De lijst hierboven maakt dat afdoende duidelijk dat dat te simpel geredeneerd is. Luther ademt de Vulgaat. Dat is en blijft zijn ‘bijbel’. Nog in 1530 (Sendbrief vom Dolmetschen) valt het op dat hij alle voorbeelden uit die Latijnse bijbel aanhaalt. Hij maakt ook fouten die enkel te verklaren zijn als je ervan uitgaat dat hij niet doorheeft dat er in het Grieks eigenlijk wat anders staat. Ten bewijze enkele voorbeelden van hoe de Vulgata-traditie zich doorzet tegen de brontekst in, ook nog in de laatste editie van 1545. In de revisie van 2017 wordt vaak Luthers afwijkende vertaalkeuze nog vermeld in een voetnoot (bijv. met de opmerking: „Luther übersetzte nach dem lateinischen Text.“)

Voorbeelden van de overname van Vulgata-formuleringen tegen het Grieks in. 

Philippenzen 4,7καὶ ἡ εἰρήνη τοῦ θεοῦ ἡ ὑπερέχουσα πάντα νοῦν φρουρήσει τὰς καρδίας ὑμῶν καὶ τὰ νοήματα ὑμῶν ἐν Χριστῷ Ἰησοῦ.
Vulgata: Et pax Dei, quæ exuperat omnem sensum,custodiat corda vestra, et intelligentias vestras in Christo Jesu.

  • LB 1545 Vnd der friede Gottes, welcher höher ist, denn alle vernunfft, beware ewre hertzen vnd sinne in Christo Jhesu.
  • LB 2017 Und der Friede Gottes, der höher ist als alle Vernunft, wird eure Herzen und Sinne in Christus Jesus bewahren.
  • NBV Dan zal de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, uw hart en gedachten in Christus Jezus bewaren.

Het verschil: Het Grieks heeft een toekomende tijd, de Vulgata een conjunctivus (aanvoegende wijs, een wens). Deze vertaling heeft het zo lang volgehouden (en wordt nog steeds gebruikt, ook door mijzelf) omdat dit een kanselzegen is en dus gebaat is bij de aanvoegende wijs. 

Romeinen 9,5 καὶ ἐξ ὧν ὁ Χριστὸς τὸ κατὰ σάρκα ὁ ὢν ἐπὶ πάντων θεὸς εὐλογητὸς εἰς τοὺς αἰῶνας άμην.
Vulgata: … ex quibus est Christus secundum carnem, qui est super omnia Deus benedictus in sæcula. Amen.

  • LB 1545 … aus welchen Christus her kompt nach dem Fleische, Der da ist Gott vber alles, gelobet in Ewigkeit. Amen.
  • LB 2017 … aus denen Christus herkommt nach dem Fleisch. Gott, der da ist über allem, sei gelobt in Ewigkeit. Amen.
  • NBV: … en waaruit Christus is voortgekomen. God, die boven alles verheven is, zij geprezen tot in eeuwigheid. Amen. [met voetnoot: “mogelijk is ook de vertaling:  ‘en waaruit Christus is voortgekomen – hij die God is, die boven alles verheven is en geprezen zij tot in eeuwigheid.”]

Het verschil: Het Grieks kent geen interpunctie. De oudkerkelijke traditie (exegese) leest de onderlijnde zin als betrekking hebbend op het voorgaande, dat wil  zeggen: Christus is ‘God boven alles’. Ook in Luther’s tijd is dit de standaardlezing, en dat blijft zo…. De huidige exegeten suggereren echter dat hier geen komma, maar een punt zou moeten worden voorzien, omdat het niet voorstelbaar zou zijn dat Paulus zoiets over Jezus zegt in precies dat deel van zijn brief waar hij de Joden aanspreekt (het ‘god-zijn’ van Jezus is daar immers precies de steen des aanstoots). Wel geven de taalgeleerden toe, dat qua zinsbouw de oude opvatting erg voor de hand ligt. Sterker nog: De loskoppeling van de lofprijzing klinkt onhandig. Hier kun je Luther dus niets verwijten. Ergo: geen correct voorbeeld als het gaat over Luther als vertaler. Hij doet hier wat iedereen in zijn tijd en tot ver in de twintigste eeuw deed – en nog doet. De NBV biedt beide mogelijkheden. (pro memorie: ik verwerk op deze pagina de Duitse wiki. Vandaar dat ik dit verkeerde maar leerzame voorbeeld laat staan).

Voorbeelden van hoe Luther formuleringen uit de Vulgata (vaak Latijns-Grieks idioom) verduitst.

Romeinen 6,4: Consepulti enim sumus cum illo per baptismum in mortem: ut quomodo Christus surrexit a mortuis per gloriam Patris, ita et nos in novitate vitæ ambulemus.

  • LB 2017  – So sind wir ja mit ihm begraben durch die Taufe in den Tod, auf dass, wie Christus auferweckt ist von den Toten durch die Herrlichkeit des Vaters, so auch wir in einem neuen Leben wandeln.
  • In gewoon Duits zou dit zijn: ‘damit auch wir’.

Romeinen 12,18: Si fieri potest, quod ex vobis est, cum omnibus hominibus pacem habentes.

  • LB 2017 Ist’s möglich, soviel an euch liegt, so habt mit allen Menschen Frieden.
  • In gewoon Duits zou dit zijn: ‘Soweit es euch möglich ist’.

Galaten 2,20a: Vivo autem, jam non ego: vivit vero in me Christus.

  • LB 2017 Ich lebe, doch nun nicht ich, sondern Christus lebt in mir.
  • In gewoon Duits zou dit volgens de wiki-pagina moeten zijn: ‘Nicht mehr ich lebe, sondern Christus lebt in mir’. Ik vind dit een betwistbaar voorbeeld. De suggestie (Latijn en Luther) dat Paulus hier de tegenstelling ‘ik – Christus’ bewust versterkt, is mijns inziens ook in het Grieks aanwezig. Parafraserend: “Ik leef, maar het is niet meer ‘mijn ik’ dat leeft, maar Christus leeft in mij.” Of – als vertaling – : “Ikzelf, ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij.” (ζῶ δὲ οὐκέτι ἐγώ, ζῇ δὲ ἐν ἐμοὶ Χριστός)

 

Het Septembertestament 1522

Luther vertaalde snel. Toen hij begin maart 1522 naar Wittenberg terugkeerde, had hij het manuscript bij zich. Het was echter nog maar een draft, een ‘ontwerpvertaling’. Samen met Melanchthon de vakman, Grieks, nam hij die in de weken daarna nog eens door. Ook Spalatinus, eveneens een bekwaam Graecist en stilist, werd geregeld voor de verklaring van Griekse woorden te hulp geroepen. De numismaticus Wilhelm Reiffenstein gaf advies over de waarde van de antieke munten. Dit had als gevolg dat Luther alle munten uit de tijd van het NT actualiseerde door ze gelijk te stellen met de munten van zijn tijd en ze die naam te geven: Groschen, Heller, Scherflein, Silberling, Silbergroschen. Dit is nog steeds zo in de Lutherbijbel, hoewel de actualisatie nu juist niet meer actueel is. De logica? Ze zijn heel vaak bijbels-spreekwoordelijk geworden: Das Scherflein der Witwe (Lk 21,1-4), zoals in het Nederlands: het ‘penningske der weduwe’ uit de Statenvertaling.

Het drukproces werd in stilte voorbereid. Uitgevers waren Lucas Cranach en Christian Döring. Zij namen het financiële risico. Luthers naam staat niet op het titelblad. Het geheel was een hoogkwalitatieve druk in folio-formaat en dus relatief duur. De tekst is gedrukt in één kolom, in een Schwabacher lettertype, met conventionele ornamenten.

Eerste bladzijde van de eerste brief aan de Korinthiërs. NB: de nummering van verzen in de bijbel moet nog uitgevonden worden…

Opvallend en zeer invloedrijk is de cyclus van 11 volbladige houtsneden uit de werkplaats van Lucas Cranach bij de Apocalyps (de Openbaring van Johannes). Hij werd duidelijk geïnspireerd door Albrecht Dürers Apokalyps-cyclus. Luther en Cranach zijn samen verantwoordelijk voor dit element van de bijbel. Opvallend is de actuele spits: polemiek tegen pauselijke kerk. Melchior Lotter kreeg de drukopdracht. Die was enorm. Zie hiervoor de beschrijving in Andrew Pettegree, het merk Luther. In Lotters atelier werkten drie drukpersen tegelijk. De grote tijdsdruk betekende dat men matrices uiteen moest halen om voldoende letters voor andere folio’s te hebben. Deze druktechniek betekent dat geen enkel bewaard gebleven exemplaar identiek is. Tekstvarianten duiken dus ook meteen op. In september 1522, precies op tijd voor de Leipziger Buchmesse was het NT klaar .2. De oplage was enorm: 3000 exemplaren. Het kostte – afhankelijk van de uitvoering – tussen de ½ und 1 ½ Gulden. De oplage was binnen drie maanden uitverkocht.

Zoek het verschil tussen de afbeeldingen. Links de editie van september, rechts die van december.

Reeds in december 1522 werd de tweede druk uitgebracht, met gecorrigeerde tekst en eveneens licht aangepaste afbeeldingen (Dezembertestament). De tiara die het ‘beest uit de afgrond’ en ‘de hoer van Babylon’ in het Septembertestament nog draagt is twee verdiepingen kwijt en een gewoon kroontje geworden (zie afbeelding hierboven). Hebben collega’s er bij Luther en Cranach op aangedrongen om toch wat voorzichtiger te zijn?

Hier kunt u de eerste pagina’s van deze editie doorbladeren.

septembertestament_begin

Vertaling van het Oude Testament

Luther’s Hebreeuwse tools 

Met genitivus-verbindingen als de Arche Noah (ipv Noahs Arche) heeft Luther de hebreeuwse Status constructus nagebootst. Zo horen we in Matthäuspassion van J.S. Bach:  Tochter Zion. Ander voorbeeld: die Kinder Israel.

Vanaf 1507 heeft Luther geprobeerd om Hebreeuws te leren, d.w.z. autodidactisch. Als hij college gaat geven (1511 e.v) heeft hij een indirecte kennis (vooral via Latijnse vertalingen van de bijbel). Als hij aan de bijbelvertaling begint, moet zijn kennis behoorlijk op peil geweest zijn, maar kan hij niet echt zelfstandig Hebreeuws lezen. Geleerd heeft hij  het met behulp van de leerboeken (grammatica en woordenboek) van Johannes Reuchlin en Wolfgang Capito. Ook moet hij de de grammatica van Moses Kimchi gekend hebben. Zelf bezat hij twee Urtext-uitgaves: een kleine Soncino-Bibel (die is bewaard) en een grote Hebreeuwse bijbel. Daarenboven bezat hij een hebreeuws Psalter, dat hij ooit van Johannes Lang cadeau gekregen had.

Sporen van de Luthers’ werk in zijn hebreeuwse bijbel

Voor 1519 verwierf Luther zich een exemplaar van de TeNaCh, de Soncino bijbel uit 1494. Hierin bevinden zich ook aantekening van twee eerdere – Joodse – bezitters. Vooral de Tora heeft hij intensief bestudeerd, en wel m.n. het boek Genesis. Luthers notities hebben vaak te maken met de betekenis. Ze zijn dus waarschijnlijk verbonden met zijn vertaalwerk, en reflecteren dus vertaalproblemen waarop hij stuitte. De aantekeningen zijn echter niet systematisch. De suggestie is dat hij deze bijbel dus bij de hand had, maar eigenlijk werkte met een ander exemplaar, of een andere tekst. 3

Een voorbeeld van een notitie uit die bijbel die tot vandaag doorwerkt:

pagina uit Luthers Hebreeuwse bijbel (Soncino) met de hier besproken aantekening (p. 305 – verso)

Jesaja 7,9b אם לא תאמינו כי לא תאמנו׃

Luther noteert (blz. 305v onderaan): gleubt yhr nicht, so bleibt yhr nicht. Allusio gleubt – bleibt.

Hij bootst hier dus het hebreeuwse woordspel na, een klankassociatie van twee werkwoorden van de woordstam die wij kennen als ‘amen’. (‘ta-amin-u/te-amen-u’). Opvallend is dat hij deze inval niet heeft behouden toen de bijbel in 1534 voor het eerst volledig in druk verscheen. Hij koos voor een vrijere, interpreterende vertaling:

LB 1534 Gleubt jr nicht so werdet ihr feilen. Randglosse  Das ist Was jr sonst furnemet das soll feilen, vnd nicht bestehen noch glück haben.

In de definitieve Lutherbijbel van 1545 heeft hij het binnenrijm wel weer ingevoerd, tot op vandaag:

LB 2017 Glaubt ihr nicht, so bleibt ihr nicht.

 

Een Joods boek, christelijk vertaald

„Wer teutsch reden will, der muß nicht der Ebreischen Wort Weise führen, sondern muß darauff sehen, … daß er den Sinn fasse, und dencke also: Lieber, wie redet der teutsche Mann in solchem Fall? Wenn er nun die teutsche Wort hat, die hiezu dienen, so lasse er die Ebreischen Wort fahren, und spreche frey den Sinn heraus, auffs beste teutsch, so er kan.“ (Luther, Summarien über die Psalmen)

vertaling: Wie Duits spreken wil, die moet niet de Hebreeuwse zegswijzen volgen, maar erop letten dat hij de betekenis vat en dan tot zichzelf zeggen: M’n beste, hoe zegt een Duitser zoiets ? Als hij hiervoor de Duitse woorden gevonden heeft, dan moet hij de Hebreeuwse woorden laten vallen, en vrijuit spreken vanuit de betekenis, met het beste Duits dat in z’n vermogen ligt. 

De „Wormser Propheten“ (Ludwig Hätzer & Hans Denck) vertaalden ook de bijbel, maar vroegen desgevallend raad aan Joden (Worms had ooit een grote Joodse gemeenschap). Luther wees dit af.  Luther leefde ver weg van de laatste Joodse kenniscentra in de Duitse landen. En in tegenstelling tot sommige andere humanisten, heeft hij nooit pogingen gedaan om contacten te leggen (zelfs niet pragmatisch). Zijn hoge waardering voor de Hebreeuwse taal (prachtig verwoord in het voorwoord bij de Duitse Psalmuitgave van 1524) ging samen met een diep wantrouwen ten opzichte van de rabbijnen omdat zij de christelijke dimensie van het OT niet als waar erkenden (logisch, zou ik zeggen, maar niet voor christenen toen).

In de „Summarien über die Psalmen und Ursachen des Dolmetschens“ (1533) zet Luther – achteraf – zijn vertaalprincipes uiteen. Hij wilde een vloeiende vertaling bieden „auffs beste teutsch“, maar waar de Hebreeuwse woorden een diepere betekenis leken te bieden (cruciale formulering), vertaalde hij zo getrouw mogelijk naar de hebreeuwse woordbetekenis. Dat klinkt onschuldig, maar is problematisch. De diepere betekenis die spoorde Luther namelijk op met zijn geloof. Dat was zijn wichelroede („Wünschelrute“ Franz Rosenzweig). Die bepaalde waar en hoe het OT Gods woord was. Enkel als Luther dat had vastgesteld, moest het letterlijk genomen worden en ook zo vertaald. Zo doordesemt de christelijke duiding Luthers vertaling.4

Het Wittenberger vertalersteam

De vertaling van het OT was teamwork. Waarschijnlijk nog in 1522 verzamelde Luther vakmensen om zich heen om de eerste vijf boeken van het OT (Tora, pentateuch, of zoals ze nog vaak genoemd werden: de vijf boeken van Mozes). Zeer belangrijk was de bijdrage van de Wittenbergse professor Hebreeuws Matthäus Aurogallus. Ook liet Luther zich volgens Johannes Mathesius graag voorlichten over de precieze Duitse woorden door de ambachslieden van zijn stad. Om tekstplaatsen als Lev 3,6–11 goed te vertalen riep hij de hulp in van de Wittenbergse slager. Het project liep snel van stapel, maar naarmate men meer vorderde ging het ook trager. Reeds in october 1524 waren de Pentateuch, de historische en poëtische boeken vertaald. Maar toen kwamen de profeten nog. En Job was ook een hell of a job geweest (wat elke bijbelgeleerde en vertaler en exegeet meteen zal beamen).

De vertaling van de Profeten

Vanwege taalkundige moeilijkheden stokte het project, toen men de grote Schriftprofeten onder handen wilde nemen. Onderwijl verscheen in 1527 in Worms wel een vertaling van die boeken (door de doopgsgezinde theologen Ludwig Hätzer en Hans Denck). Luther heeft dit boek op zijn kenmerkende manier de ‘hel in geprezen’. Hij prijst hun vlijt, geeft toe dat hun Duits ook goed is, maar omdat ze zich door Joden hebben laten helpen, is hun vertaling niet ‘getrouw’

Darumb halt ich, das kein falscher Christ noch rottengeist trewlich dolmetzschen könne, wie das wol scheinet inn den prophetenn zu Wormbs verdeutschet, darinn doch warlich grosser vleis geschehen, und meinem deutschen fast nach gangen ist. Aber es sind Jüden da bey gewest, die Christo nicht grosse hulde erzeigt haben, sonst were kunst und vleiß genug da.“ (WA 30,640)]

Luthers vertaalteam gebruikt onderwijl wel de „Wormser Propheten“ als hulpmiddel om ze dan definitief uit de markt te prijzen met hun eigen publicatie. een voorbeeld ter vergelijking, waar de ‘profeten van Worms’ correct vertaald hebben, en Luthers team theologisch invult.
Micha 6, 8 הגיד לך אדם מה־טוב ומה־יהוה דורש ממך כי אם־עשות משפט ואהבת חסד והצנע לכת עם־אלהיך׃

Hätzer/Denck – Mensch es ist dir genůgsam angesagt, was gůt sei, vnnd was der HERR von dir erfordere, nemlich, das recht halten, vnn barmhertzigkeytlieben, vnd züchtig vor deinem Gott wandlen.

LB 1534 – Es ist dir gesagt, Mensch, was gut ist, vnd was der HERR von dir foddert, nemlich, Gottes wort halten, vnd liebe vben, vnd demuetig sein fur deinem Gott.

Belang : Deze vertaling van Micha 6,8 leidt tot gewetensstrijd bij elke Lutherbijbel-revisie, omdat Luthers vertaling hier gewoon fout is. D.w.z. ze wordt duidelijk bepaald door zijn theologische opvattingen. Lastig toe te geven voor Lutherfans. Het eerste onderlijnde woord (משפט – ‘misjpat’) is een juridische term en wordt gewoonlijk vertaald met ‘gebod’. Zelfs de revisie van 2017 heeft Luthers formulering niet durven schrappen (in een voetnoot is de betere vertaling toegevoegd, met het epitheton: letterlijk). NB: het tweede gedeelte is prima: ‘chesed’ kan zowel met ‘barmhartigheid’ als met ‘liefdebetoon’ of ‘gunstbewijs’ worden vertaald. 

De eerste totaaluitgave van 1534

Naast de grote profeten wilde Luther ook de apocriefe bijbelboeken in zijn editie opnemen. Tussen juni 1529 en juni 1530 vertaalde Luther de Wijsheid van Salomo. Daarna – misschien omdat Luther in deze periode vaak ziek was – namen zijn medewerkers de andere apocriefe boeken onder handen. Het is zelfs zo dat het aandeel van Philippus Melanchthon, professor Grieks en Hebreeuws, tevens ook algemeen taalgeleerde (retorica) zo groot is in het vertalingsproject dat men eigenlijk van de Luther-Melanchthon-Bijbel zou moeten spraken.

Philippus Melanchthon, schilderij van Lucas Cranach d. Ä.,1532, Historisches Museum Regensburg

Onderwijl werd in 1529 de laatste revisie van het NT voltooid, en kreeg in 1530 zijn defintieve vorm

het Psalter

Vooral de vertaling van de Psalmen is een fascinerend stuk vertaalgeschiedenis. In 1524 verscheen een eerst versie, maar al snel publiceerde Luther een verbeterde versie (die ik persoonlijk niet altijd beter vind. In 1524 is er meer ‘Hebreeuws taalgevoel’ in de Duitse vertaling. In de latere editie draait Luther de klok weer achteruit en klinkt de theologie weer door. In plaast van ‘Güte und Treu’ wordt het weer ‘Gnade und Wahrheit’ (zie bijv de revisies van psalm 25, ). In 1531 wordt het Psalter nog een keer door het vertaalteam doorgenomen, waarbij naast Martin Luther, Philipp Melanchthon, Caspar Cruciger en Matthäus Aurogallus nu ook Justus Jonas hoorde. Soms werd ook de hulp ingeroepen van een tweede Hebraïst: Johann Forster. Melanchthon was vanwege zijn historische en filologische kennis zo ongeveer het ‘wandelende woordenboek van de revisie’. Uit de notulen (van de hand van Georg Rörer, Luthers persoonlijk secretaris) blijkt de werkmethodiek van de commissie. Alle formuleringen werden nog eens doorgenomen en soms droegen de filologen nog veranderingen aan. Luther echter hakte de knoop door. Het is in deze laatste ronde dat Psalm 23 zijn „klassieke“ klank kreeg.5

Psalm 23,2a  בנאות דשא ירביצני

  • Luthers Handschrift: Er lesst mich weyden ynn der wonung des grases.
  • Eerste druk van de Psalmen (1524): Er lesst mich weyden da viel gras steht.
  • Herziene tekst (1531): Er weidet mich auff einer grunen Awen.

Voor de eerste complete uitgave heeft het team in 1533 ook het hele OT zo nog een keer doorgenomen, met speciale aandacht voor Genesis. op de Leipziger Michaelismesse (4-11 october 1534) was de hele Bijbel (900 ongebonden Foliovellen) te koop. Gedrukt als zes delen, elk met een eigen titelpagina en bladnummering: 1. Pentateuch, 2. historische boeken, 3. poetische boeken, 4. de propheten, 5. de apocriefen, 6. het Nieuwe Testament. Het wapen en het drukprivilege van de keurvorst van Sachsen sierde de uitgave.

De uitgave van 1534 (gebonden in 1 deel)

De extra’s van de de Biblia Deudsch

Veel aandacht heeft Luther (en zijn team) geschonken aan de diverse Voorwoorden en de Randglossen. Het is ook daar dat hij ‘de kachel aanmaakt’ met de brief van Jacobus en tegelijk de formule ‘Was Christum treibet’ formuleert. (zie hierover deze pagina)

De voorwoorden

De voorwoorden (‘Vorreden’) zijn bepaald niet onschuldig, zoals elke bijbellezer weet. Luther is hierin ook glashelder. Ze dienen om de lezer te helpen de bijbel met de juiste vraagstelling en ingesteldheid te lezen. Cru gezegd: De leer van de rechtvaardiging van de goddeloze, uit genade door Christus, geschonken door het geloof moet overal gevonden worden. Dat is namelijk wat God te zeggen: ‘Gods Woord’. Bijv.

  • Vorwoord bij het Oude Testament: „Also ist des alten Testaments eigentliche Heubtlere, Gesetze leren und Sünde anzeigen…“ (de eigenlijke hoofdinhoud van het OT is het aanleren van de wet en dus het ‘ont-dekken’ van de zonde). Door de zonde bloot te leggen (bijv. door de Tien Geboden) zal de mens tot inzicht komen dat hij faalt (‘zondaar is’) en de mens dus uitdrijven tot Christus, de Redder..
  • In het voorwoord op het Nieuwe Testament maakt Luther meteen duidelijk dat het Nieuwe Testament van begin tot eind Evangelie is, d.w.z. „gute Botschaft, gute Mehre.“ Christus lokt de mens tot zich, hij dreigt niet. Dus maak er nooit weer een wet van: „Darumb sihe nu drauff, Das du nicht aus Christo einen Mosen machest, noch aus dem Euangelio ein Gesetz oder Lerebuch … Denn das Euangelium foddert eigentlich nicht vnser werck, das wir da from vnd selig werden … Sondern es foddert den glauben an Christo … Das wir vns seines sterbens vnd Siegs mügen annemen, als hetten wirs selbst getan.

Maar naast theologie wordt ook vakwetenschappelijke kennis gedeeld:

  • In het voorwoord bij het boek Daniël krijgt de lezer zeer gedétailleerd de geschiedenis van de opstand der Maccabeeën voogeschoteld. Dat is de – correct – historische Sitz im Leben van deze profetie. Alleen, God zou God niet zijn als hij ook niet een actuele boodschap erin zou steken: Achter de tegenstanders van weleer worden de contouren van de paus plots zichtbaar : „HJe ist klerlich der Bapst abgemalet, der in seinen Drecketen vnuerschampt brüllet …
  • Als voorbeeld van een informatieve en verklarende marginale glosse (kanttekening) Job 9,9:  „(Orion) Jst das helle Gestirne gegen mittag, das die Bauren den Jacobsstab heissen. Die Glucke oder Henne, sind die sieben kleinen Sterne.“

Alles tesamen is de Lutherbijbel niet zozeer een oud-Oosters boek, afkomstig uit een exotische variant van de klassieke wereld. Neen, het is eerder een spiegel van Luthers eigen wereld. Knechten en Mägden, geen slaven en slavinnen, levend in bekende flora en fauna. Ziehier de jongste zoon van de Vader in de gelijkenis „Vnd gieng hin, vnd henget sich an einen Bürger desselbigen Landes, der schicket jn auff sein acker der Sew zu hüten. Vnd er begerte seinen Bauch zu füllen mit trebern, die die Sew assen, vnd niemand gab sie jm.“ (Lk 15,15–16). Je ziet het voor je.

 

Die Schrijfwijze van de Godsnaam

Luther kiest in 1545 (!) definief en consequnet voor de de schrijfwijze HERR als het om de Godsnaam gaat (JHWH) en „HErr“ als er het gewone woord voor ‘Heer’ staat (Adonai). In het NT wordt HERR in 150 citaten uit het OT ook behouden. Als volgens Luther  Christus bedoeld is, kiest hij voor HErr. De drukkers gingen met deze regels niet altijd even zorgvuldig om.

„Eli, eli, lama asabthani?“

In de evangeliën worden woorden van Jezus soms in het Aramees weergegeven. Met name valt dit op als Jezus Psalm 22,2a citeert aan het kruis : אלי אלי למה עזבתני. Het werkwoord wijkt hier af van de Masoretische (Hebreeuwse) tekst. Luther corrigert hier het evangelie, door die op die plek in te voegen. Daarom klinkt Jezus’ uitroep in het Duits niet als Eli, Eli lama sabachtani?, zoals de Griekse transcriptie in Mattheüs en Markus luidt) maar : Eli, Eli, lama asabthani?, zoals het boek der Joodse Psalmen het zegt.
Hier komt nog een keer Luthers mystieke (niet letterlijke) verering voor het Hebreeuwse origineel tevoorschijn.

„Das neue Testament, obs wol griechisch geschrieben ist, doch ist es voll von Ebraismis und ebräischer Art zu reden. Darum haben sie recht gesagt: Die Ebräer trinken aus der Bornquelle; die Griechen aber aus den Wässerlin, die aus der Quelle fließen; die Lateinischen aber aus den Pfützen.“ (WA TR 1,525).

Dat weerhoudt hem tegelijk dus niet om de wijze waarop de ‘native speakers’ (de Joden) hun eigen teksten lezen en interpreteren, af te wijzen. Hij is er namelijk zeker van dat de Heilige Geest (die het uit Christus neemt) ook de auteur van de Hebreeuwse tekst is en zodoende is voor Luther Christus niet slechts indirect (per analogie, typologie) aanwezig in het Oude Testament, maar direct. De eigenlijke betekenis van het OT is Christus. Hierin is hij trouwens een adept van de Franse humanist, Jacques Lefèvre d’Étaples. In diens Quincuplex Psalterium (1509), een boek dat Luther koesterde, had hij zijn mystiek-geestelijke hermeneutiek op noemer gebracht: het gaat om een sensus litteralis-spiritualis. 

 

Verstaanbare taal, en toch een bijbelse stijl.

De bekende uitspraak van Luther, dat hij het volk „auff das Maul will sehen“, betekent niet dat hij het zijn tijdgenoten qua taal gemakkelijk wilde maken, en al helemaal niet dat hij ‘platte’ taal wilde gebruiken. Hij heeft wel degelijk aandacht voor een zekere ‘verhevenheid’ in de taal, een licht-sacrale connotatie. „Es begab sich“, „siehe“, zulke Hebraïsmen liet hij staan, omdat ze functioneel waren. Verder valt op dat hij bijna vanzelf zorgdraagt voor een natuurlijk ritme in de zinnen, met retorische verbindingen zoals stafrijm, binnenrijm, en vooral: het spel met klinkers. Dat is ongetwijfeld de echte kracht van Luthers bijbelvertaling. Hij kan schilderen met woorden. En hij durft zich dan ook wel van de grondtekst verwijderen. Deze esthetische kwaliteit is ook tegenstanders van Luther opgevallen: „Er deudtschts nach dem Klange.“:

  • Psalm 46,4 „Wenn gleich das Meer wuetet vnd wallet…“
  • Mattheus 5,16 „Also lasset ewer Liecht leuchten fur den Leuten…“
  • Lukas 2,12 „Jr werdet finden das Kind in windeln gewickelt, vnd in einer Krippen ligen.“[68]

Eén van de subtielste trucs van Luther is het royale gebruik van Modalpartikel (‘ja’, ‘aber’, ‘doch’) die de Duitse taal gemakkelijk kan tussenvoegen. Ze geven de taal iets levendigs , bijna alsof het gesproken wordt. Je kunt de tekst van de Lutherbijbel dus probleemloos zingen en voorlezen, reciteren, nog steeds. Vraag maar aan de componisten…  Trouwens: de bijbel is en was geen leesboek, maar een voorleesboek. Hoor maar (Mt 7,9–11):

„Welcher ist vnter euch Menschen, so jn sein Son bittet vmbs Brot, der jm einen Stein biete? oder so er jn bittet vmb einen Fisch, Der jm eine Schlange biete? So denn jr, die jr doch arg seid, künd dennoch ewren Kindern gute gabe geben, Wie viel mehr wird ewer Vater im Himmel gutes geben, denen die jn bitten?“

Deze zinsbouw is archaisch, maar eigenlijk beter te volgen dan de volgende, die correct vertaald is, maar weinig oog heeft voor het voorlezen-en-volgen in één beweging.

„Welcher ist unter euch Menschen, der seinem Sohn, da jener ihn ums Brot bittet, einen Stein biete? Oder der ihm, so jener ihn um einen Fisch bittet, eine Schlange biete? So denn ihr, die ihr doch arg seid, euren Kindern dennoch gute Gaben geben könnt, wie viel mehr wird euer Vater im Himmel denen, die ihn bitten, Gutes geben?“

 

De Lutherbijbel als cultuurgoed

In de 16e eeuw was Luthers taal modern en gewoon. Vandaag is ze buiten-gewoon. Dat wil zeggen dat ze eigenlijk bijna vanzelf een gevoel van ‘religie’ oproept. Opvallend in dit verband is dat de laatste revisie van de Lutherbijbel (2017) veel taalkundige moderniseringen van de revisie van 1984 weer heeft teruggedraaid. De tekst is daarom soms juist weer moeilijker geworden (bijv. brieven van Paulus). Men heeft daarvoor gekozen om het cultureel erfgoed beter te bewaren. Ze is dan ook geen ‘bijbel voor iedereen’ (zoals men in 1984 nog gewild had).

vanuit de brontekst (de meest betrouwbare dus)

De Lutherbijbel werd indertijd gebaseerd op de toen beschikbare bronnen en men wilde de allerbeste hebben. Bij veel revisies zondigt men (bewust en/of gewild) tegen dit principe. Het kritisch tekstonderzoek heeft sinds de 16de eeuw heel veel nieuw materiaal boven tafel gekregen. De textus receptus van toen is niet op alle punten meer dezelfde (hetzelfde) als die van vandaag. Wetenschappelijk bedoeld ik. Met name de oudste handschriften (papyri) hebben hier voor nieuwe inzichten gezorgd. Dit heeft gevolgen voor de brontekst die je vertaalt als je ‘brontekstgetrouw’ wilt zijn. :

Matthäus 6,1a Προσέχετε [δὲ] τὴν δικαιοσύνην ὑμῶν μὴ ποιεῖν ἔμπροσθεν τῶν ἀνθρώπων πρὸς τὸ θεαθῆναι αὐτοῖς

Textus receptus van Luther: προσεχετε την ελεημοσυνην υμων μη ποιειν εμπροσθεν των ανθρωπων προς το θεαθηναι αυτοις[127]

  • LB 1545 – Habt acht auff ewer Almosen, das Jr die nicht gebt fur den Leuten, das jr von jnen gesehen werdet.
  • LB 2017 – Habt aber acht, dass ihr eure Gerechtigkeit nicht übt vor den Leuten, um von ihnen gesehen zu werden.

De „Gerechtigheid Gods“ in de Romeinenbrief

Luther heeft zijn rechtvaardigingsleer bij Paulus geleerd, maar zijn opvattingen dekken niet 100/100 die van Paulus. Hierover zijn alle wetenschappelijk nieuwtestamentische exegeten het tegenwoordig wel eens. Dat Luther dus in zijn vertaling van de brief aan de Romeinen zijn eigen theologische inzichten helderder formuleert dan Paulus ze zegt, hoeft dan ook geen geheim te blijven. Voor zuiver filologische vertalingen moet je in elk geval niet bij Luther zijn, maar saai of slecht is zijn vertaling nooit. Zo mag je Luthers toevoeging dat een mens gerechtvaardigd wordt ‘door het geloof alleen‘ zowel ‘geniaal’ noemen als ‘fout’, het was in elk geval kenmerkend voor Luthers geestelijke visie op de letter van de Bijbel.

Dick Wursten


Daar is Luther weer…

We zullen dit jaar niet om Martin Luther heen kunnen: 2017 is uitgeroepen tot Lutherjaar. De toeristische dienst van Duitsland in het algemeen en van Sachsen-Anhalt draait al enige tijd overuren en REFO500 zit ook niet stil. Het ene na het andere Lutherboek rolt van de pers. Er is zelfs al een Playmobil Luther met ganzeveer en Duitse Bijbel. Ook in Antwerpen staan een hele serie activiteiten op stapel (zie hier voor een overzicht).

luther_playmobil_thesenanschlag

En dat allemaal om een gebeurtenis te herdenken die er hoogstwaarschijnlijk geen was: de Thesenanschlag van 31 oktober 1517.
Luther zelf heeft er nooit naar verwezen hoewel hij bepaald niet verlegen zat om een sterk verhaal om zijn vrienden, studenten, of collega’s mee te vermaken tijdens de maaltijd. Zeker als het over de mythische tijd van de grote ontdekkingen ging, wijdde hij graag uit: denk aan het beroemde verhaal van de ‘Turmerlebnis’. Sterker nog: als Luther de 95 stellingen over de aflaat al eens noemt, dan doet hij dat met een zekere gêne. Aan zijn collega professor en vriend, Christopher Scheurl, schrijft hij bijvoorbeeld in maart 1518 dat hij – als hij geweten had hoeveel effect ze zouden hebben gehad – ze wel zorgvuldiger zou hebben geformuleerd. Niet erg logisch dus dat hij die met veel bombarie aan de poorten van de kerken van de stad zou hebben genageld. In diezelfde brief vertelt hij trouwens wat hij wel beoogd heeft met die stellingen: een academisch debat met collega-theologen uit de buurt, zowel face to face als schriftelijk over de aflaten.

ERGO: De stellingen zullen rond Allerheiligen opgehangen zijn aan de deuren van de slotkerk, omdat dat het mededelingenbord van de Wittenbergse universiteit: ‘Ad valvas’. Maar of dat op 31 oktober is gebeurd en door Luther zelf, is hoogst twijfelachtig. En zo ja, dan in elk geval niet als publieke protestactie. Meer hierover op een aparte pagina.

Wel zeker is het dat Luther ze naar vrienden en collega’s heeft gestuurd en – nog belangrijker – ze als bijlage bij de brief aan de aartsbisschop van Mainz heeft gevoegd waarin hij de aflaatkramerij aanklaagt. Die brief is trouwens wel gedateerd: 31 oktober 1517. De stellingen zijn dus pas een hot item geworden toen enkele van Luthers vrienden hun exemplaar doorgaven aan drukkers buiten Wittenberg, die ze in een beperkte oplage begonnen te drukken en vervolgens moesten vaststellen dat ze verrassend snel door hun voorraad heen waren. Via de drukkerij van Froben in Bazel kwam er in maart 1518 ook een exemplaar bij Erasmus terecht, die toen in Leuven verbleef. Hij stuurde die door naar zijn goede vriend in Engeland, Thomas More, zonder commentaar.

Retrospectief zijn ze dus belangrijk en inhoudelijk bijzonder interessant. Ook de aartsbisschop van Mainz stuurde ze – na advies te hebben ingewonnen van de theologen van de universiteit van Mainz – door, in dit geval naar Rome ter screening op hun orthodoxie, één van de gevolgenrijkste ‘forwards’ uit de geschiedenis. Op dat moment werd de ‘causa Lutheri’ ingeleid, de ‘zaak Luther’, en was een regionale kwestie een internationale princiepszaak geworden. In de stellingen wordt namelijk de heilsnoodzakelijkheid  van het kerkelijk instituut (opgebouwd rond het sacrament van de boete) op z’n minst gerelativeerd en het gezag van de paus – vragenderwijs, maar de ondertoon is emotioneel en fel – geproblematiseerd.

Blick auf ein sich mehrfach spiegelndes Lutherbildnis in der Ausstellung “Fundsache Luther” in Halle (Saale), aufgenommen am Donnerstag (30.10.2008). Foto: Peter Endig dpa/lah +++(c) dpa – Report+++

Andrew Pettegree, ‘Brand Luther’ (Het merk ‘Luther’)

Andrew Pettegree, Brand Luther. Printing and the Making of the Reformation. Penguin Press 2015. 388 blz. € 20,95. ISBN 9781594204968.

Ook verkrijgbaar in het Nederlands: Het merk Luther (Atlas-Contact, € 29,95)[opmerking: De briljante subtitel van het origineel is hier wel erg verhakseld en syntactisch dubieus, maar dit geheel terzijde]

Wie geïnteresseerd is in de manier waarop Luther ‘zichzelf’ en zijn ideeën in de markt zette, maar een beetje huiverig is voor al die theologie die dat met zich meebrengt, die kan zijn hart ophalen aan een prachtige boek van Andrew Pettegree, de kenner bij uitnemendheid van de wereld van het boek in de zestiende eeuw: Brand Luther (merk ‘Luther’). De ondertitel zegt waar het boek over gaat: ‘Printing and the making of the Reformation’. De blurb op de omslag, die tegelijk ook illustreert (letterlijk) wat de hoofdboodschap van het boek is, zegt het nog preciezer: ‘How an unheralded monk turned his small town into a center of publishing, made himself the most famous man in Europe – and started the protestant reformation’. Je wandelt hier met Luther door het ministadje Wittenberg, je hoort Luther ruzie maken met de locale drukker Rhau-Grunenberg als hij weer eens minderwaardig zetwerk heeft afgeleverd. Je ziet Lucas Cranach en Melanchthon bezig met het ontwerpen van spotprenten op de paus. Maar bovenal krijg je ontzag voor de schrijf- en werkkracht (en concentratie) van Luther in met name de jaren 1517-1525. Zeer leerrijk is het stuk over Luthers eerste Duitse boekje (‘Sermon von der Ablasz und Gnade’, 1518) eigenlijk een pamflet, een brochure. Het zijn maar 8 bladzijden, 20 korte alinea’s. In iets meer dan 1.400 woorden (2 A4-tjes) zet Luther puntsgewijs en beknopt uiteen wat hij heeft willen zeggen met zijn thesen over de aflaat, zo, dat elke Duitser die kan lezen, het begrijpt. Wie iets van de theologische debatstijl van de late Middeleeuwen kent, weet dat dit not done was. Hier is een revolutionair bezig, die bewust het publiek zoekt om zijn punt te maken. De drukpers staat hem ten dienste, maar tegelijk transformeert Luthers schrijven de drukkerswereld zelf. Een markt wordt ontdekt en de drukpersen komen met al die pamfletten, boekjes in de volkstaal etc.  voor het eerst goed onder stoom. In no time ontwikkelt Wittenberg zich van een provinciaal stadje tot een drukkerscentrum van Europa. Aan de hand van Luthers geschriften, waarvan de intellectuele en materiële productie wordt beschreven, schetst Pettegree zo het beeld van een opmerkelijk man (Deel 1) die in het oog van een storm terecht komt, en dit niet ‘by accident’ (Deel 2). Rond de inhoud en originele stijl van zijn theologische communicatie groeperen zich al snel vrienden en vijanden (Deel 3), waarna Luther uitgroeit tot The Nation’s Pastor, terwijl hij met vaste hand de kerk opbouwt (Deel 4). En passant – verwijzend naar oplagen en herdrukken – laat Pettegree  nog maar eens zien hoe belangrijk Luthers gewone educatieve en stichtelijke werken zijn geweest. Van een man die zelf opgetrokken is uit woorden, die ook de scheppende macht van het woord kent, hoeft het niet te verbazen dat hij een boekje geschreven heeft met een titel als  ‘dat men de kinderen naar school moet sturen’, jongens en meisjes! Iedereen moet Gods woord kunnen lezen, neen, nu zeg ik het fout: iedereen moet Gods woord kunnen horen, dus moeten er voorlezers zijn, ‘verbi divini ministri’.

Dick Wursten