CD: Luther. The noble art of music (Utopia & InAlto)

De zangers van Utopia en de blazers van InAlto hebben de handen ineengeslagen om een programma ter ere van Luther op te nemen, omdat Luther de muziek zo hogelijk geëerd heeft. Aan de hand van drie teksten laten ze horen hoe in het voetspoor van Luther componisten daar in de loop van de 16de eeuw (met uitlopers naar de 17de eeuw: Praetorius)  muziek van gemaakt hebben: van een bicinium tot 10-stemmig drie-korig, maar merendeels vierstemmig met een cantus firmus). In het booklet (David J. Burn) wordt dit in het Engels, Frans en Duits uitgelegd.

De keuze is gevallen op Psalm 130Aus tiefer Not (De profundis clamavi), een van de eerste Psalmen die Luther in het begin van zijn liturgische hervorming heeft berijmd (winter 1523 deed hij een oproep uitgaan aan bevriende auteurs om hem bij te staan bij het berijmen van de belangrijkste psalmen). De prachtige phrygische melodie die erbij hoort verschijnt voor het eerst in 1524 in het Enchiridion.

Als tweede komt het gebed des Heren aan bod, Vater Unser, waarna de Paassequens Victimae Paschali Laudes aan bod komt die Luther op zijn karakteristieke vrijmoedige wijze omdichtte tot het lied Christ lag in Totesbanden. Hij combineert hier elementen uit Victimae met het Middeleeuwse Paaslied Christ ist erstanden. Ook dit lied verschijnt voor het eerst in het Erfurter Enchiridion uit 1524

Josquin Desprez (‘Der Noten Meister’, dixit Luther) mag telkens de blokken inleiden met een motet.

Er wordt zorgvuldig gezongen, en gespeeld. De zangers zijn goed op elkaar afgestemd en de blazers leveren heel vezorgd, cantabile, spel af. Het nadeel is dat het allemaal wel erg beheersd en ernstig klinkt. Meer afwisseling in de bezetting had hier al wat kunnen verhelpen. En waarom zo vaak a capella? of enkel instrumentaal? Juist de flexibiliteit in de uitvoering (elke stem is speel-/zingbaar) kenmerkt de 16de en 17de eeuw. Ook zou de keuze voor een meer balladesk lied van Luther niet misstaan hebben, want ook daarin komt de ‘noble art of music’ tot ontplooiing. Enkel bij Praetorius (laatste stuk van de cd) komt – en in de live-versie, die ik mocht meemaken was dat nog meer het geval – komt er beweging in, begint het bloed sneller te stromen en stijgt het hart omhoog. Jammer dat dat op deze cd niet meer gebeurt, want ik denk toch dat het dàt is wat Luther bedoelde als hij zo lovend schrijft over de hoge waarde van de muziek. Niet zozeer de ‘sereniteit’, maar ‘blijdschap’, niet enkel diepe gevoelens, maar ook een glimlach, juichkreet, een schaterlach.

Volgende keer misschien? Want ze kunnen het. En zou ik zeggen: nodig dan ook – naast de bazuinen en cornetten – ook strijkers en blokfluiten en wat al niet meer uit, en zet die in bij de uitvoering van Luthers geestelijke muziek.

tracklist:

1]  Douleur me bat – Josquin Desprez   02:49
2]  De Profundis Clamavi – Josquin Desprez    04:02

Aus Tiefer Not schrei ich zu dir
3] Mattheus Le Maistre (verse 1)   01:10
4] Mattheus Le Maistre    01:21
5] Johann Crüger (verse 2)   00:51
6] Arnoldus de Bruck    01:05
7] Lupus Hellick (verse 3)    01:26
8] Michael Praetorius (verse 5)   04:18
9] De Profundis Clamavi – Ludwig Senfl 05:45 

10] Plaine de dueil – Josquin Desprez 02:29

11] Unser Vater in den Himmeln – Balduin Hoyoul  02:24
12] Pater Noster – Josquin Desprez   04:08

Vater Unser in Himmelreich
13] Anonymous (verse 1)  00:47
14] Johann Walter (verse 5)  01:11
15] Caspar Othmayr (verse 6)  01:08
16] Johannes Eccard (verse 9)  01:03

17] Verleih uns Frieden – Anonymous 01:09
18] Victimae Pascali Laudes – Josquin Desprez  03:10

Christ Lag in Todesbanden
19] Balduin Hoyoul (verse 1)  02:02
20] Caspar Othmayr (verse 2)  01:03
21] Johann Walter (verse 5)  01:24
22] Johann Walter    02:02 Victimae Pascali Laudes
23] Orlandus Lassus     04:03
24] Michael Praetorius     06:20

www.utopia-ensemble.be

Griet De Geyter – soprano Bart Uvyn – alto Adriaan De Koster – tenor Lieven Termont – baritone Bart Vandewege – bass

www.inalto.fr

Lambert Colson – cornetto Charlotte Van Passen – trombone Guy Hanssen – trombone Bart Vroomen – trombone Adam Woolf – trombone Alice Foccroulle – soprano

CD: Luthers Lieder (Athesinus Consort)

LUTHERS LIEDER (Chrismon edition/Carus, 2CD’s )
Athesinus Consort Berlin (dir. Klaus-Martin Bresgott), Kammerchor Stuttgart (dir. Frieder Bernius), € 17,99

Alle 35 liederen van Luther (of die hem worden toegeschreven met redelijke zekerheid) staan op deze twee CD’s. Voor deze uitgave heeft men ervoor geopteerd om niet enkel tijdgenoten van Luther of directe nazaten daarvan te laten klinken, maar een staalkaart te verschaffen van hoe de liederen van Luther door de eeuwen heen zijn getoonzet. Voor de kleinschalige versies verzorgt het Athesinus-consort uit Berlijn (o.l.v. Klaus-Martin Bresgott) de uitvoering. Ze staan voornamelijk op CD 1. We horen muziek van de bekende namen (Walter, Praetorius, Schein, Schütz etc), maar naast de 16de en 17de eeuw duiken ook 20ste eeuwse versies op: Volker Jaekel, Christoph Drescher, Frank Schwemmer, Jonathan Brell). Hun compositiestijl varieert van een eigentijdse barok-stijl, via een muziekstijl minimale-middelen-maximale-expressie, tot jazzy ritmes en close harmony. Laatst genoemde stijl valt ook het voor ons Vlamingen meest interessante lied van Luther: ‘Ein neues Lied wir heben an’ ten deel. We horen enkel het eerste couplet van deze ballade over de eerste martelaren van de Reformatie, te Brussel verbrand op 1 juli 1523 (Volker Jaekel, CD 1, nr. 12). Het dubbelkwartet zet een vlekkeloze uitvoering neer, die vergeleken met de uitvoering van Vox Luminis wat cerebraal overkomt als het de 16de en 17de eeuwse muziek betreft. Ik mis ‘de ziel’, de harteklop, de adem. De eigentijdse composities komen beter uit de verf. Dat is duidelijk meer hun ding. Het is natuurlijk geen toeval dat een aantal van de composities, zeker de nieuwe, bij Carus-verlag besteld kunnen worden. Voor de orgelmuziek van Buxtehude, Bach, en Reger is beroep gedaan op Matthias Ank (orgel). Sophie Harmsen (mezzo-sopraan) zingt de melodie voorafgaand aan de orgelbewerking. Voor maar liefst vijf Lutherse koralen is gekozen voor zettingen van de jonge Felix Mendelssohn Bartholdy, uitgevoerd door het Kammerchor Stuttgart (o.l.v. Frieder Bernius), aangevuld met een orkest en solisten. Hiermee recycleert Carus ouder materiaal uit de ‘Gesamteinspielung’ van Mendelssohn’s koorwerk. De koppelverkoop is in dit geval wel erg doorzichtig. Carus-Verlag heeft hiervan ook de partituren uitgegeven. Zouden het bijzonder interessante stukken zijn, dan zou dit te verantwoorden wezen, maar dit is niet het geval. Mendelssohn heeft ze zelf nooit uitgegeven. Hij beschouwde ze als ‘compositie-oefeningen’. Door op deze opnamen terug te grijpen is ook het evenwicht in de selectie zoek: meer dan 40 minuten van CD2 worden door Mendelssohn bezet. Men had het spectrum makkelijk kunnen verbreden door bijv. orgelcomponisities van Pachelbel of Walther op te nemen in de selectie, dan wel Brahms of Distler aan bod te laten komen. Voor wie Duits beheerst bevat het boekje een korte toelichting op Luthers lieddichtkunst en de tekst van elk lied (niet volledig, want dan zou het boekje nog dikker zijn). Om het geheel een toegevoegde waarde te verlenen is een selectie van Luthers teksten voorzien van een kort commentaar door ‘bekende Duitsers’ (soms instructief, soms meditatief, soms columnistisch). Teksten van o.a. Margot Kässmann, Markus Mecke, Judith Zander en Uwe Kolbe. Dit boek is in de dubbel CD ingelijmd en bevat 104 pagina’s.

Dick Wursten

 

 

CD: Ein feste Burg (Vox Luminis & Bart Jacobs)

EIN FESTE BURG IST UNSER GOTT – LUTHER AND THE MUSIC OF THE REFORMATION (Ricercar/Outhere music, 2CD’s). Vox Luminis (dir. Lionel Meunier) en Bart Jacobs (orgel), € 33,00

De Lutherse kerkmuziek is gewoon blijven meegroeien met de breed-Europese muziekontwikkeling, die in de rooms-katholieke landen in de tijd van de contra-reformatie een grote bloei kende. Vanuit de Duitse en Scandinavische landen stuurden de vorsten hun meest begaafde zangers (componisten in spe) naar Venetië (bijv. Heinrich Schütz om in de leer te gaan bij Giovanni Gabrieli en later meer collegiaal bij Claudio Monteverdi). Komt nog bij dat de volkstaal door deze componisten ook gebruikt wordt voor geestelijke muziek en er een repertoire aan koraalmelodieën is bijgekomen. Wat een muziekfeest moet de kerkgang toen zijn geweest, zeker op kerkelijke hoogdagen. Op de dubbel-CD van Vox Luminis is dit goed te horen.

De beide CD’s zijn opgebouwd volgens een eigen concept. De eerste CD volgt het kerkelijk jaar (Van Advent tot Trinitatis, met als toegift ‘Ein feste Burg’ (De Fantasie van Michael Praetorius op het grote Thomas-orgel in Ciboure, met verve vertolkt door Bart Jacobs, die ook nog enkele andere koraalbewerkingen uit de 16de en 17de eeuw voor zijn rekening neemt). De tweede CD laat elementen uit de liturgie horen. Een Deutsche Messe van Christoph Bernhard, Luthers catechetische koralen rond de sacramenten, de Deutsche Passion van Joachim a Burck (naar Johannes, compleet). De uitvoering is een verademing temidden van veel massieve, zich moeizaam voortslepende, of houterige uitvoeringen die de markt overspoelen. Hier ademt alles, de muziek leeft, de stemmen (koren) reageren op elkaar. En het Thomas-orgel in Gédine dat de instrumentale begeleiding verzorgt is niet een klein kistorgeltje, maar neemt met glans de rol op zich van de instrumentisten. De CD heeft diverse verrassingen in petto. Zo is er een feestelijke kerstmotet van Andreas Hammerschmidt (Freude, Freude, grosse Freude) een indrukwekkende vocale bewerking van Christ lag in Todesbanden van Samuel Scheidt, die duidelijk veel meer is dan alleen maar een componist van orgelstukken. Overweldigend is de 12 stemmigen (3-korige) zetting van de Pinkstersequens Veni Sancte Spiritus van Thomas Selle. Ook Schein, Schütz, en Praetorius zijn aanwezig op de beide CD’s. Het zwaartepunt ligt in de 17de eeuw. Dat is op zich jammer, omdat Luther zelf muzikaal volop in de ‘Vlaamse polyfonie’ vertoefde. Josquin Desprez was niet voor niets zijn favoriet. Meer werk van Johann Walter en zijn directe navolgers had niet misstaan. Nu moeten we het stellen met één stuk van Walter en één van Balthasar Resinarius als het gaat om echt ‘Luthernahe’ composities. Dit neemt niet weg, dat deze dubbel-CD zonder meer een aanrader is.

Tip: Diverse tracks kunt u vrij beluisteren op deze pagina
En hier een korte film van de opname met twee fragmenten (Selle & Othmayer):

De begeleidende tekst is van Jérôme Lejeune (musicoloog, en professor aan het Luikse Conservatorium). De toelichting op de individuele stukken is beknopt maar instructief. De dubbel CD is uitgegeven als een rijk geïllustreerd hard-cover boek van 104 pagina’s (Engels-Frans-Duits), waarbij de beide CD’s zich bevinden in de voor- en achterkaft.

CD: Mitten im Leben – 1517 (Calmus ensemble & Lautten Compagney)

1517 – Mitten im Leben
Calmus Ensemble | Lautten Compagney | Wolfgang Katschner.
Label: Carus 83.477

Met/op deze cd proberen deze beide Duitse top-ensembles (zang/instrumentaal) de sfeer van het gewone leven rond Maarten Luther te treffen. Vandaar de prachtige titel: 1517 – Mitten im Leben. Een kenner snapt dat hij ‘Mitten im Leben’ zowel letterlijk als lieder-lijk moet verstaan: Het is immers ook de eerste regel van Luthers bewerking van Media in vita. Iedere Duitser weet dat (nou ja). Vertalen in het Nederlands zonder referentieverlies is natuurlijk onmogelijk (terzijde: Toen de musici te gast waren in Herentals had de organisator het concert herdoopt tot Hoe klonk 1517 ?. Goed gevonden).

Op cd staat natuurlijk geestelijke muziek uit Luthers tijd, maar wat de cd onderscheidt van veel andere cd’s die in het Lutherjaar zijn verschenen, is dat de muzikale directeur (Ludwig Böhme) ook wereldlijke liederen uit de tijd van Luther heeft geprogrammeerd. En zoals u weet, betekent werelds in deze tijd dat het scrabreus, grof, volks en hyperkunstzinnig tegelijk kan zijn. En ook deze kende Luther, en zong hij, of voorzag de gekende melodieën van een geestelijke tekst. Allemaal vanuit de overtuiging dat muziek de beste communicatievorm is als je een belangrijke boodschap aan de mensen wilt doorgeven.

De cd opent (en sluit) met klokgelui, d.w.z. met de ingenieuze compositie van Ludwig Senfl, waarin zang en instrumenten samen het ‘Geläut zu Speyer’ bezingen en vertolken, d.w.z. laten horen. Dezelfde Senfl – door Luther hooggeschat en waarschijnlijk vice versa, maar dat kon Senfl natuurlijk nooit hardop zeggen – is ook aanwezig met een aantal geestige wereldse ballade’s, zoals “Es hett ein Biedermann ein Weib,” over een jonge vrouw die haar uithuizige man probeert te bedriegen in ‘t hooi, maar wordt betrapt, in ‘t hooi. Verder valt op een bijna cynisch spotlied van Stephan Zirler, waarin de zanger de oneindige voordelen bezingt van het rooms-katholieke boetesysteem, waarmee je je hedonistische levensstijl kunt handhaven, doordat je de schuld afkoopt met geld. Daarom: ‘Ich will fürhin gut päpstlich sein, des Luthers Lehr verachten’. Deze beide nummers zijn hier voor het eerst opgenomen, omdat ze pas onlangs zijn ontdekt in een liedcollectie uit 1556 (Neurenberg).

Natuurlijk zijn er ook enkele geestelijke motetten te horen. Naast een Agnus Dei van Josquin Desprez, twee psalmmotetten: Thomas Stoltzer, Herr, wie lang willt du mein so gar vergessen (psalm 13) en het bijzonder kunstvolle Psalmmotet Beati Immaculati in via van Luther’s vriend en muzikale rechterhand, Johann Walter. Het eerstgenoemde wordt sober en zeer geconcentreerd gezongen en is juist daarom zeer intens, terwijl het laatstgenoemde (een zeer complex werk) zo wordt uitgevoerd, dat de compositie transparant wordt (wat van de meeste andere uitvoeringen van dit stuk niet gezegd kan worden). Beati Immaculati in via (Psalm 119) is door Walter gecomponeerd voor de inwijding van de nieuwe slotkerk in Torgau (1544). Het werd uitgevoerd in aanwezigheid van alle grote mannen van de Reformatie, incl. Luther (die de dienst leidde) en de keurvorst. Dit zevenstemmige werk bestaat uit 5 canons, die achtereenvolgens worden ingezet en elk twee welgekozen verzen zingen uit Psalm 119 (die in totaal 176 verzen telt), terwijl een ostinate bas onafgebroken zingt ‘Vive Luthere, Vive Melanchthon’. De zevende stem is de alt, die de Keurvorst prijst. Een compositietechniek die mij nog het meest doet denken aan de ars nova muziek uit de late Middeleeuwen. Het resultaat is ‘stunning’… Vooral de live-uitvoering tijdens het reeds genoemde concert is mij nog lang bijgebleven. Hier kunt u de origeinel stemboeken zien in pdf en de track van de cd beluisteren.

Het Calmus Ensemble laat zich op deze cd begeleiden door – neen, dat is verkeerd gezegd: werkt hier samen met – de Lautten Compagney (Wolfgang Katschner). De sonore klank van Renaissanceluiten (waaronder ook een basluit, de Colascione), en de prachtige tonen van de blazers (bazuinen, fluiten, en cornet) zorgen voor een heel geslaagd en gelaagd kleurenpalet. De link tussen de wereldse en geestelijke muziek wordt hierdoor zeer duidelijk. Ludwig Böhme noemt in het booklet dit een bewuste ‘commmunicatiestrategie’ van de hervormers, die hun ideeën verspreidden middels Duitse liederen, daarbij geholpen door efficiënte vernieuwingen in de kunst van de muzieknotendrukkunst.

Crossover tussen Oude Muziek en Pop.

Böhme en Katschner (en twee anderen) hebben het idee van de Hervormers zelf ook weer opgepakt en transformeren enkele van de bekendste liederen uit de tijd van de Reformatie in pop ballads en jazz nummers. Katschners arrangeerde o.a. “Ach bittrer Winter” en Böhme “So treiben wir den Winter aus”. Ook het overbekende “Ach Elslein, liebes Elslein” moet zo’n behandeling ondergaan. Leuk, voor tussendoor, maar een beetje teveel van het goede. De nieuwe bewerkingen, goed gemaakt, moeten het afleggen tegen de zeer competente en krachtige Renaissance muziek zelf. Gelukkig wordt die op deze cd op zeer overtuigende wijze gebracht. Van mij had het dus ook kwantitatief wel iets meer Renaissance en een iets minder Eigentijds mogen zijn. Maar ja: Carus-Verlag moet ook zijn partituren aan de man brengen.

Dus toch: van harte aanbevolen !

Tracklist:

  1. Ludwig Senfl: Das Geläut zu Speyer
  2. Johann Walter: Beati immaculati in via
  3. Stephan Zirler: Ich will fürthin gut päpstlich sein
  4. Ludwig Senfl, arr. Juan Garcia: Ach Elslein, liebes Elselein
  5. Traditionell, arr. Sebastian Krause: All mein Gedanken, die ich hab
  6. Orlando di Lasso: Nun grüß dich Gott, mein Mündlein rot
  7. Anonymus: Bummelierst du mir
  8. Ludwig Senfl: Mir ist ein rot Goldfingerlein
  9. Ludwig Senfl: Es hett ein Biedermann ein Weib
  10. Hans Neusidler / Melchior Neusidler: Wascha mesa / Passa é mezo Lamillanesa
  11. Jobst vom Brandt: Lass rauschen, Sichele, rauschen
  12. Traditionell, arr. Ludwig Böhme: Gesegn dich Laub
  13. Traditionell, arr. Ludwig Böhme: O Tannenbaum
  14. Traditionell, arr. Wolfgang Katschner: Ach bittrer Winter
  15. Josquin Desprez: Sit nomen Domini
  16. Traditionell, arr. Ludwig Böhme: So treiben wir den Winter aus
  17. Martin Luther, arr. Bo Wiget: Mitten wir im Leben sind
  18. Thomas Stoltzer: Herr, wie lang willt du mein so gar vergessen
  19. Josquin Desprez: Agnus Dei
  20. Martin Luther, arr. Sebastian Krause: Vater unser im Himmelreich
  21. Heinrich Isaac/Johann Sebastian Bach: Innsbruck, ich muss dich lassen / Nun ruhen alle Wälder
  22. Josquin Desprez: Scaramella va alla guerra
  23. Orlando di Lasso: Matona mia cara
  24. Anonymus: Wir zogen in das Feld
  25. Ludwig Senfl: Das Geläut zu Speyer

 

Luther over gebruik en nut van muziek…

Zoals al vaker aangehaald op deze website heeft Luther sterk geïnvesteerd in muziek en wel met name in de creatie van goede liederen (met ditto muzieknoten). Hij zelf zette zich aan de arbeid maar spoorde ook medewerkers en vrienden aan om hun literair talent uit te proberen. Er is een brief van Luther aan Georg Spalatin (geleerde humanist, vriend en raadsman van de keurvorst) waarin hij hem vraagt mee te helpen met dit scheppingsproces. In deze brief onthult Luther dat ‘het plan bestaat om naar het voorbeeld van de profeten en de eerste kerkvaders de psalmen in de taal van het volk te schrijven… Wij zoeken daarom alom naar dichters… Zelf heeft hij – zo meldt hij de psalm ‘De profundis’ al vertaald (= Aus tiefer Not, eerste versie).

Al snel circuleerde er een eerste oogst, acht liederen, verschenen in 1524 in Wittenberg: ‘Etlich christliche Lieder’ met prominent vooraan Luthers eerste geestelijke ballade (geen psalm dus!): Nun freut euch lieben christen’ gemein… Daarin zijn vervolgens leerstellige en wat moeizame teksten van Paul Speratus te vinden. Ze worden afgedrukt met een uitgebreide bijbelse toelichting: Catechese en Bewijs van bijbelgetrouwheid ineen.

Luthers eerste drie psalmberijmingen staan er ook in, achter elkaar en bedoeld om op eenzelfde wijs te zingen, namelijk die van Es ist das Heil uns kommen her, afgedrukt boven de tekst van Luthers berijming van psalm 12, Ach Gott von Himmel sieh’ darein ( hier genummerd en aangeduid volgens de Vulgata: 11 – Salvum me fac). De andere twee zijn psalm 14 (Es spricht der unweisen Mund, Vulgata: 13 – Dixit insipiens) en psalm 130 (Aus tiefer Not , onbgenummerd, enkel aangeduid met de Latijnse beginregel : De profundis). Ook deze laatste zonder melodie en dus ooit/eerst gezongen op de melodie van Es ist das Heil uns kommen her). Dit is nog een wat ‘rommelige uitgave’. Hier kunt u het doorbladeren.

Het eerste officiële Lutherse liedboekje (met voorwoord van Luther zelf, dus geautoriseerd) verschijnt in Erfurt: Ein Enchiridion oder Handbuchlein (Erfurt, 1524) in twee bijna gelijke edities: Het marktprincipe (Er is een nieuw veelbelovend marktsegment aangeboord) schijnt daarbij een rol te hebben gespeeld. De inhoud van dit boekje bevat een verrassend rijke oogst voor een zo korte ontstaansperiode en ook een rijke schat aan melodieën. De verhuis van cantor Johann Walter van Torgau naar Wittenberg zal hier wel voor iets tussenzitten. Het merendeel van Luthers evergreens zijn hier al te vinden (hieronder een afbeelding van de titelpagina). Naast oude Latijnse hymnen en sequenzen, vooral veel psalmberijmingen en vrije liederen met catechetische inhoud. [hier kunt u het geheel (48 paginas) doorbladeren]. Bijna onmiddellijk nadien is er ook al een polyfone zetting van deze liederen (+ nog meer) te vinden in Walters Geistliches Gesangbüchlein, met 4- en 5-stemmige zettingen. [Hier kunt u het begin van het tenorboekje doorbladeren]. Het is duidelijk dat het project op stoom is gekomen: De muziek gaat men in de kringen rond Luther volop gebruiken om de hervonden bijbelse heilsboodschap ingang te doen vinden in de hoofden èn harten van de mensen: Al zingend de wereld doordringen van nieuwe gedachten.

De doelgroep is ook duidelijk: Naast iedereen die gïnteresseerd is in de materie wordt vooral de jeugd geviseerd. De sterk catechetische toon van de eerste Lutherse productie versterkt dit gevoel. Op de titelpagina van het Enchiridion worden ze onderaan expliciet vermeld, de ‘jonge jeugd’. Het is natuurlijk een verkoopsargument, maar toch, lees maar mee: ‘Mit dysen und der gleichen Gesenge soltt man byllich die yungen yugendt aufferzihen’ : Deze en soortgelijke gezangen kun je gebruiken om de jonge jeugd op een goede manier op te voeden.

Titelpagina van het Erfurter Enchiridion (1524)

 

De polyfone zettingen van Johann Walter (zie onder) zijn volgens Luther zelfs expliciet bedoeld voor de jongelui. Een citaat uit het voorwoord van Walters Geistliches Gesangbüchlein (1524/1525) – dat later vaak is herdrukt:

Tweede pagina van het voorwoord van Luther

 

zij [= de liederen in deze bundel] zijn vierstemmig getoonzet met geen andere reden dan dat ik graag zou zien dat de jeugd, die toch behoorlijk zal moeten worden opgevoed in de Muziek en de andere goede kunsten (NB: Muziek was een schoolvak en één van de ‘artes liberales’, DW) iets zou hebben waarmee zij de wulpse liederen en de wereldse gezangen zou loslaten en in plaats daarvan iets heilzaams zou leren, zodat ze het goede zich zou eigenmaken terwijl ze er tegelijk plezier aan beleeft, zoals dat hoort als je met jongeren van doen hebt.”

Dit zijn geen originele gedachten van Luther (zoals in diverse publicaties nog al eens te lezen is, terwijl men Luther de hemel in prijst), maar ‘common place’ (gemeenplaatsen) sinds de tijden van Chrysostomus en Origenes en die gaan weer terug op …. Plato. De kerk heeft altijd een haat-liefde verhouding gehad met muziek, en vooral heeft ze veel moeite gehad met instrumentale muziek. Muziek hoorde bij het heidense leven, m.n. bij het theater. Heel mooi is de spanning verwoord door Augustinus als hij vertelt over de eerste keer dat hij Ambrosius hoorde zingen. Maar precies dezelfde redeneringen vind je ook bij Calvijn.

Juist daarom is trouwens dit voorwoord van Luther zo sterk. Hij neemt namelijk ook in die debatten meteen positie in, èn hoe ! Lees maar even verder:

Ook ben ik niet van mening dat door het Evangelie alle kunsten tot de grond toe moeten worden afgebroken en vergaan zoals sommige ‘over-geestelijke’ mensen verkondigen. Ik wil alle kunsten, in het bijzonder de muziek, graag zien in de dienst van Hem die ze gegeven en geschapen heeft. 

Luther is één van de weinige theologen die ook het lichaam als scheppingswonder Gods serieus genomen heeft en ‘bejaht’ (zoals de Duitsers zo mooi kunnen zeggen). Hij genoot dus van eten, drinken, seks en muziek, om maar eens een paar fysieke geneugten te noemen. Hij vond het daarvan kunnen genieten evenzeer tot de  christelijke moraal behoren, dan goed gedrag en zeden. Hoe geestelijker een mens zich gedroeg, hoe meer Luther geneigd was op z’n hoede te zijn. Ook de hele ‘avondmaalsstrijd’ en Luthers afkeer van een rein-symbolische opvatting (Zwingli c.s.) past in dit psycho-theologisch profiel, maar dit geheel terzijde.

Ed Kooijmans, De Wittenbergse nachtegaal

Ed Kooijmans, De Wittenbergse nachtegaal. De wereld van Luthers liederen (Den Hertog, Houten, 2012). 381 blz. € 24,90

Dit boek wil een inleiding bieden in de wereld van Luthers liederen. En dat is het ook, zij het met gebreken. De auteur behandelt de 36 liederen die aan Luther met zekerheid kunnen worden toegeschreven qua tekst (en soms ook qua melodie, hoewel daarover nog steeds getwist wordt). In het eerste deel doet hij dit inhoudelijk-theologisch, historisch (hij schets de context van ontstaan), liturgisch (eventuele plaats en functie in de eredienst) en muzikaal. Ook besteedt hij aandacht aan de ‘Wirkungsgeschichte’, zowel in Duitsland als in Nederland. De titel ‘De Wittenbergse nachtegaal‘ verwijst naar de metafoor die de Meesterzanger Hans Sachs in 1523 gebruikte om Luther te kenschetsen, waarbij de muzikale connotatie eerder toevallig is. Het ging Sachs om de verkondiging van Luther. Datzelfde geldt voor de auteur. 

Het is een rijk boek, met veel interessante feiten en verhalen. Deze rijkdom is tegelijk ook het tekort, omdat de auteur te weinig onderscheid maakt tussen ‘Dichtung und Wahrheit’ als het over de verhalen gaat die rond de liederen (ontstaan, impact) circuleren. Hierdoor staan feit en fictie naast elkaar en wordt de lezer dus in zeker zin ook misleid, terwijl hij de wereld van Luthers liederen wordt ingeleid. Jammer, want het boek is duidelijk geboren uit een authentieke belangstelling voor Luthers liederen ademt op elke bladzijde oprechte geestdrift uit.

meer in détail:

Deel I schetst de wereld van Luthers liederen, waarin muziek-historische, liturgische en theologische analyses elkaar afwisselen. Hoewel bijzonder informatief en behoorlijk gedocumenteerd (elk hoofdstuk besluit met een reeks voetnoten), wreekt zich dat de auteur te naïef omgaat met oudere studies over Luther en de muziek. Deze zijn in het Lutheronderzoek niet altijd even betrouwbaar en dienen oordeelkundig (d.w.z. geïnformeerd vanuit de bronnen zelf of middels kennis van de meest recente vakliteratuur) te worden gebruikt. Het is jammer, maar veel ‘sprekende anecdotes’ zijn of niet of niet helemaal waar. Op zich mag je die verhalen (over de palingvissers bijv. die op een ijsschots zijn afgedreven en vlak voor ze in het ijskoude water ondergaan een lied van Luther aanheffen, p. 206) best vermelden, maar zet er dan bij dat ‘het een legende is’, of leid het in met ‘Er wordt verteld, dat’ of ‘Het verhaal gaat’. Nu staan zulke verhalen op hetzelfde niveau als wetenschappelijk wel gedocumenteerde standen van zaken. Dat vertroebelt de blik. Veel van de verhalen komen uit Emil Koch’s Geschichte des Kirchenlieds und Kirchengesangs der christlichen, insbesondere der deutschen evangelischen Kirche (1847), een boek dat bij hedendaagse vorsers niet eens meer wordt genoemd. Hetzelfde geldt voor de studie van Johannes Rautenstrauch uit 1907 over Luther en de liturgie. Boeken met een verdienste in hun tijd, maar nu niet meer bruikbaar als directe bron. Ook het bevlogen werk van Hans Preuss over Luther als kunstenaar (1931) moet met de nodige kritische zin worden gelezen en zelfs als Otto Schlisske in zijn Handbuch der Lutherlieder (1948) een verhaal opneemt, is dat nog geen garantie van authenticiteit. Daar komt nog bij dat Luther ook als mens en theoloog nogal werd ‘vereerd’ in de oudere (Duitse) studies, en dan zeg ik het nog voorzichtig. Zeker 19de eeuws auteurs (waarop genoemde détailstudies zich vaak baseren) maken nauwelijks onderscheid tussen ‘fact and fiction’. Ook woedt de propagandaoorlog tussen rooms-katholieke en protestantse auteurs rond Luther (heilige of satanskind) dan nog volop. Door zijn eigen theologische positie is de auteur bijzonder vatbaar voor deze mystificaties. Ze strookt namelijk met zijn eigen opvatting over kerk en geloof. Hierdoor heeft het Lutherbeeld in dit boek een toets van dweperij: Luther is een geloofsheld, een uniek persoon door God geroepen, een profeet, een uitzonderlijk muzikaal begaafd mens, een groot dichter. Onderaan deze bespreking nog enkele voorbeelden van deze onkritische attitude (van ‘jammer’ tot ‘fout’).

Echter: Elk ‘nadeel heb z’n voordeel’. De auteur kan zeer congeniaal Luthers bijbelinterpretatie weergeven en verduidelijken (m.n. de christocentrische lezing van het Oude Testament, waarin de Psalmen Christus verkondigen). Ook is hij helemaal mee als Luther de evangelieboodschap herformuleert als de proclamatie van de onverdiende verlossing van de zondaar door Christus’ bloed (= zelfovergave aan het kruis), extra nos pro nobis. Ook de existentiële ondertoon voelt hij mee. Hoewel ook hier de Lutherse grondtoon toch net anders is dan die van de Nadere Reformatie, maar dit terzijde. In 20 korte hoofdstukken behandelt de auteur hier ongeveer alle aspecten van Luthers liederen. Globaliter dus een heel bruikbaar ‘overzicht’. Zelf zou ik minder vaak Luther als melodiebewerker (van oude hymnen bijv.) opvoeren. Het lijkt me logisch dat Johann Walter, met wie Luther vanaf het begin (1524) samenwerkte en die ook meteen al voor de polyfone zettingen verzorgde, hier vaker de ganzeveer heeft vastgehouden dan Luther. Maar dit terzijde. Dat Luther een melodie kon maken en zeker de kerktoonsoorten beheerste als geen ander, is een feit. Op de website van de uitgever kunt u het boek inzien. Heel interessant is het boek wanneer de auteur vertelt over de doorwerking van Luthers liederen en muziek in de kringen van de Nadere Reformatie.

Het tweede deel van het boek (p. 259-348) bevat dan de tekst en melodie van alle 36 liederen die aan Luther worden toegeschreven, met een vertaling (indien een min of meer getrouwe voorhanden dan is die gebruikt, anders heeft de auteur die zelf gemaakt – of aangevuld). We komen hier vanzelfsprekend veel liedboekdichters tegen. Ook vader en zoon Boendermaker (P. en J.P.) zijn goed vertegenwoordigd. De Duitse tekst is die van de officiële wetenschappelijk editie van Markus Jenny (NB. Dit is niet de originele, maar een gemoderniseerde spelling). Ook is soms een 4-stemmige zetting toegevoegd uit de 16de en 17de eeuw (hoewel ik ook Bach en Kooijman zelf aantrof). Nog enkele opmerkingen:

  • De auteur meldt bij Luthers berijming van het ‘Vater Unser’ dat de afgedrukte facsimile van het origineel ‘nooit gevonden is’. Dit is onjuist. Ze is sinds 1984 terecht en bevindt zich in de Deutsche Staatsbibliothek, Berlin (Sammlung ‘Härtel’). Bij de herziene Weimar uitgave van Luthers liederen van dat jaar door Markus Jenny is een facsimile gevoegd, die in een appendix ook wordt geanalyseerd. Boeiende lectuur ! Luthers handschrift van het Vater unser kunt u dus wel degelijk bekijken, bijv. hier op deze site
  • Als Nederlandse vertaling van het eerste lied van Luther (Ein neues Lied wir heben an) wordt de versie van ds. C.M. de Vries afgedrukt (op voorspraak van Jan Wit – artikel uit 1977). Deze vertaling lijkt sterk op (en soms geheel gelijk is aan) de vertaling van P. Boendermaker die ik altijd gebruik, maar waarvan ik de bron niet ken. Wie heeft hier wie afgeschreven? Ik gok erop dat Boendermaker ouder is dan De Vries, daar eerstgenoemde midden jaren 1950 zo goed als alle Lutherliederen heeft vertaald voor het nieuwe Evangelisch-Lutherse liedboek. Ze is ook meer ‘toonvast’ dan die van De Vries. Voor deze vertaling, zie bijv. mijn webpagina gewijd aan dit lied. De vertaling van Boendermaker is ook gebruikt voor de opname van het lied in 2017

In een reeks bijlagen (deel III) zijn tenslotte de teksten en vertalingen opgenomen van de voorwoorden die Luther bij diverse zangboeken heeft geschreven. Na diverse registers (personen, liederen) en een bibliografie wordt het boek afgesloten met een dankwoord aan de sponsors.

Samenvattend: Dit boek is zeker geschikt als een ‘overzicht’ van Luthers liederen binnen hun muzikale en historische context. De editie van de melodieën en de juxtapositie van de oorspronkelijke teksten en een Nederlandse vertaling maakt dit boek de moeite waard. Voor een objectieve wetenschappelijke uitgave met dito inleiding schiet dit boek echter tekort.

Enkele Voorbeelden van het niet oordeelkundig gebruik van oude bronnen en daaruit voortvloeiende gebreken.

Het prachtige verhaal op p. 44 en 45 (het bezoek van de Vlaamse musicus Hieronymus de Locks aan Luthers huis) is reeds lang ontmaskerd als een laat 19de eeuws verzinsel (NB: Roland de Lattre, van wie Luther hier een madrigaal aanheft om zijn Vlaamse gast te pleizieren, is pas geboren ca. 1530, terwijl het verhaal zich redelijk kort hierna zou moeten hebben afgespeeld). Deze legende dook op in 1879 Revue et Gazette Musicale de Paris, in de vorm van twee brieven van Jerome de Cocks aan Jan van Stiegen, waarbij de eerste uitgebreid vertelt over het onthaal in Wittenberg dat hem als roomse muzikale jongen was tebeurt gevallen. Jerome de Cocks? (Hieronymus de Cock, de schilder?), Jan van Stiegen? De anonieme auteur (is het de hoofdredacteur zelf?) verwijst als bron naar de musicoloog Fétis die in 1830 de brieven zou hebben ontdekt, zonder echter de bron te vermelden.

Overigens wordt reeds in hetzelfde jaar in een Duits tijdschrift het verhaal ontmaskerd als een verzinsel, en en passant ook aangegeven dat dat de glorierijke toekomst van het verhaal wel niet in de weg zal staan (profetisch dus). Het hele laat-romantische beeld van Luther die thuis musiceert met kinderen en vrienden, zit er namelijk in en wordt als ‘zeitgenössisches’ getuigenis gepresenteerd. Dus dat ‘pakt’. Hierdoor wordt de lezer echter de toegang onthouden tot een echt historisch verantwoorde voorstelling van hoe het er nu aan tafel bij Luther aan toeging. De 19de eeuwse bril maakt bijziend. De afbeelding op de voorkant van het boek (Spangenberg 1875) lijdt aan hetzelfde euvel. Luther was geen jeugdleider avant la lettre die gitaar/luit speelt terwijl de kinderen braaf liedjes zingen terwijl mama toehoort. Luther zong polyfone muziek, en de luit diende – als ze dan al gebruikt werd – om te intavoleren als er stemmen ontbraken.

Ook is de auteur zich niet bewust van de diepte van het (neo-)Platoonse wereldbeeld, waarin de ‘Musica’ als hoogste samenvatting van de goddelijke scheppingswijsheid figureerde. De harmonie der sferen en de ‘hemelse muziek’ die de planeten maakte, onhoorbaar voor een mens, was het inbegriff van de volmaaktheid van de schepping. De auteur stelt op p. 42-43 dat de muziek aan de universiteit onderwezen werd op puur ‘fysieke’ wijze (waarbij hij dan Aristoteles opvoert als schuldige) en dat Luther de eer toekomt dat hij de geestelijke betekenis naar voren heeft gebracht. Dit is gebaseerd op een gebrek aan kennis van de theologiegeschiedenis, waarin het vak muziek (theoretisch-filosofisch!) al sinds de klassiek oudheid enorm hoog stond aangeschreven en vooral theologen inspireerde tot heel diepzinnige meditaties over de ondoorgrondelijke diepte en wijsheid Gods. Ook werden door deze muziektheorie reëel componerende kerkmusici steeds weer geprikkeld om ‘meer dan fysieke’ muziek te maken. Het hoorde bij het Quadrivium en was dus hèt opstapje voor de hoogste wetenschap: de Theologie. Ook Luthers voorwoorden zijn wat dat betreft veel minder origineel dan wij er vaak in lezen. (Idem voor Calvijn, die vooral Plato citeert in zijn voorwoord bij de Psalmen).

bij p. 100, waar hij schrijft over Luthers eerste lied, blijkt de auteur ook niet op de hoogte van het lot van de derde gearresteerde augustijner monnik, Lambert (van den) Thoren, of Thorn. Dit valt hem niet te verwijten, want deze kennis is nog vrij recent. Lambert heeft een redelijk gerieflijke tijd in de gevangenis doorgebracht nadat hij is weggevoerd van de Grote Markt. Hij had studiemateriaal, kon brieven ontvangen (van Luther bijv.) en werd verzorgd door de hervormingsgezinde kunstzinnige kring rond Bernard van Orley in Brussel. Zo kon dat dus ook. Hij is een natuurlijke dood gestorven in 1528, en begraven onder de galg, als ketter, want ook hij heeft nooit zijn ‘lutherije’ herroepen. Bij de beschrijving van dit lied wordt bijv. ook duidelijk dat een iets minder idolate houding nuttige ware geweest. De tekst is goed, maar niet briljant. De melodie is die van een doorsnee ballade, zeker niet ‘geniaal’. De laatste regel is zelfs dubieus.

Luther was zeer muzikaal en had een sterk taalgevoel. Zeker. Maar daarom is hij nog geen bovenmate begaafde componist, meester in het contrapunt, zoals de auteur op p. 52 beweert in het voetspoor van Willem Mudde (artikel uit 1993). Dit naar aanleiding van het overgeleverde vierstemmige motet op Non moriar sed vivam. NB: kenners zoals Friedrich Blume en vele anderen hebben al lang vastgesteld dat deze ‘compositie’ voldoet aan de regels, maar niet sterk is. Ook hebben de middenstemmen nauwelijks een eigen karakter. Ze zijn ‘vulstemmen’. Luther heeft expertendom op dit punt ook nooit geclaimd. Hij wist dat hij de stof (regels van het contrapunt) beheerste zoals iedereen die het vak ‘musica’ had gevolgd. Hij beheerste die voldoende om geen grote fouten te maken bij polyfone zettingen. Ook had hij kennis genoeg om te zien waar anderen dat wel deden en dat evt. te verbeteren. Dat is niet gering, maar dat is geen reden om hem de muzikale componisten-hemel in te prijzen. De creatieve puls, de echte compositorische begaafdheid (h)erkende hij bij anderen, de vaklui. Johann Walter, Ludwig Senfl. Zijn bewondering voor hen steekt hij niet onder stoelen en banken, juist omdat hij weet dat hij het zèlf niet kan. Of zoals hij ergens schrijft: “Dat geeft niet; ik kan preken, en dàt kunnen zij niet”.

Dick Wursten