Nathan Söderblom, “Luther, humor en melancholie”

Nathan Söderblom, Der “Prophet” Martin Luther [Ausgewählte Werke, Bd 4]. Vandenhoeck & Rupprecht 2015. 336 blz. € 120,00. ISBN 9783525570395.

soderblom_Luther

Tenslotte wil ik u nog een vierde boek over Luther voorstellen: Humor och melankoli och andra lutherstudier. De daarin verzamelde opstellen zijn geschreven door Nathan Söderblom, in het kader van de Lutherherdenking van 1917. Ze werden in 1919 gebundeld en uitgegeven. Ze verschijnen nu voor het eerste in het Duits. Nathan Söderblom (1866-1931) is vooral bekend als één van de pioniers van de oecumenische beweging. Na enige tijd aalmoezenier te zijn geweest van een psychiatrische inrichting, werd hij in 1894 Luthers pastor van de Zweedse kerk in Parijs (met o.a. Alfred Nobel en August Strindberg onder zijn parochianen). Hij promoveert en wordt in 1901 benoemd als professor aan de universiteit van Uppsala en in 1914 aartsbisschop. In die hoedanigheid bewerkt hij de eerste officiële vormen van intercommunie, ligt aan de basis van ‘Life and Work’ en legt zo in 1925 de bakermat voor wat later de Wereldraad van Kerken is geworden. Onderwijl heeft hij de ‘groote oorlog’ meegemaakt, waardoor zijn droom van internationale ‘Eenheid in Vrijheid’ tussen de kerken van alle landen en talen, alleen maar urgenter is geworden. In 1926 was hij, hoewel de persoonlijke mentor van de koningin Astrid, niet welkom op haar huwelijk in de kathedraal van Brussel. Voor zijn inspanningen kreeg hij in 1930 de Nobelprijs voor de vrede. Wat velen niet weten is dat hij indertijd een vooraanstaande en zelfs baanbrekende Luthervorser was. Hij ligt aan de basis van wat men de ‘Scandinavische school’ noemt, waarbij veel meer aandacht wordt besteed aan mystieke, artistieke, spirituele en psychologische elementen in Luthers werk (denk aan Gustav Aulén, Hans Lillje). Deze school sloeg ook de eerste bruggen met het rooms-katholieke Lutheronderzoek, dat vanaf het begin hiervoor al veel meer aandacht had gehad (zij het om Luther te kunnen désavoueren). Söderblom had andere prioriteiten, maar hij was een professioneel ‘godsdiensthistoricus’ en als theoloog en mens was hij diep vertrouwd met het werk van Luther. In 1917 heeft hij een hele reeks lezingen gehouden over Luther, waarin hij vooral ingaat op Luthers humor en zijn melancholie. Vooral dat laatste aandachtsveld zegt ook iets over Söderblom zelf. Als echte representant van de Scandinavische school schrijft Söderblom nauwelijks over Luthers leer, maar des te meer over Luthers vroomheid, zijn zelfbeeld, de wijze waarop hij zich in relatie tot God beleefde. Deze opstellen verschijnen nu als vierde en laatste deel van een ‘keur uit de werken van Nathan Söderblom’. De uitgever, vertaler en inleider is Dietz Lange, emeritus professor Systematische theologie van Göttingen, die ook een biografie van Söderblom schreef. De opstellen zijn verrassend fris, vooral omdat ze gekruid zijn met veel citaten en originele zinswendingen van Luther. De voornaamste bronnen voor Söderblom zijn Luthers brieven en de Tischreden, die hij vanuit hedendaags perspectief misschien iets te gemakkelijk voor authentiek aanneemt. Zijn intuïtie en vertrouwdheid met Luthers denken behoedt hem m.i. voor fouten. Ook inhoudelijk is deze studie nog steeds de moeite waard. Wie Luther een beetje kent, weet dat zowel humor als melancholie (in de tijd van Luther en Söderblom nog min of meer synoniem met een neiging tot depressiviteit) een grote rol spelen in Luthers leven. Naast muziek en zang hebben ook grappen en grollen het huis van Luther en Käthe vervuld. Interessant is om te volgen hoe de godsdiensthistoricus, i.c. de godsdienstfenomenoloog, de diepere humane betekenis van beide begrippen blootlegt via Luthers uitspraken daarover (Selbstzeugnisse en gesprekken, raadgevingen aan anderen). Uit de Tischreden zijn vooral die passages heel mooi weergegeven en gekaderd, waar Luther in gesprek is met een van zijn inwonende studenten, Johannes Schlaginhaufen, die erg leed onder sombere stemmingen. Luther probeert hem te helpen met de heilzame kracht van de humor, die hij zo goed kende, omdat hij hem zelf ook vaak gebruikte om de duivel op een afstand te houden. ‘Anfechtungen’ heet dat dan in het Duits. Ze zijn niet alleen onvermijdelijk, maar zelfs een teken van genade, volgens Luther. Humor leert je de aanvechtingen te relativeren, doordat je jezelf en je eigen gevoel leert relativeren. Eerlijk tegenover God, wordt een mens klein (en zijn aanvechtingen ook), maar door het evangelie wordt die kleinheid iets groots: geeft een gevoel van vrijheid. Het geloof alleen (niet het gevoel) geeft zekerheid, ook zelfverzekerdheid. Tegelijk hekelt Luther het lachen met wat echt heilig is en helemaal het cynische karakter van de inside jokes van het kerkelijk personeel. De humor keert zich tegen het al te serieus nemen van de uitwendige kanten van de godsdienst, inclusief het altijd dreigende wetticisme en schuldgevoel. Naast de hoofdstukken die expliciet dit thema behandelen zijn er ook lezingen opgenomen over andere aspecten van Luther, o.a. een vergelijking tussen Luther en Erasmus en – uitdagend voor zijn tijd – een analyse van Luthers optreden tijdens de boerenoorlog, waar Söderblom Karl Marx citerend Luther kapittelt dat hij de sociale Reformatie als illegitiem in de kiem heeft gesmoord. De laatste bijdrage aan deze bundel is een lezing uit het daaropvolgende Lutherjaar, 1921 (Rijksdag van Worms), waarin Söderblom de universele betekenis van Luther in de verf zet. Tegen het beeld van Luther als de ‘Hercules Germanicus’ legt Söderblom – opnieuw vertrekkend vanuit Luthers spiritualiteit – verbanden tussen Luther, Calvijn, John Wesley en linkt zelfs Luthers oproep tot ‘vertrouwensvolle overgave aan God’ aan de Indische bhakti-religie. Kortom: hoewel honderd jaar oud, misschien wel een interessanter boek dan veel van wat er nu over Luther verschijnt.

 

Dick Wursten

 

Luther en het appelboompje…

 

“Als ik wist dat morgen de wereld zou vergaan, dan zou ik vandaag een appelboompje planten…”

zo luidt één van de fraaiste Luther quotes, die ik ken. Of Luther het ook gezegd heeft: niemand weet het. Geschreven heeft hij het in elk geval niet. De eerste schriftelijke vermelding van deze uitspraak als komend uit de mond van Luther dateert uit 5 oktober 1944. Dominee Karl Lotz  (van de Bekennende Kirche, een groep Duitse protestanten die zich in 1934 verenigden om zich tegen Hitlers annexatie van de kerk (Deutsche Christen) te verzetten) beëindigt hiermee een brief aan zijn collega’s. Hij wil ze bemoedigen om het vol te houden, terwijl de ‘wereld vergaat’. Eerdere versies komen uit de kringen van ‘mystiek geïnspireerde eindtijd-gelovigen’ (volgelingen van J.A. Bengel) en dateren dus uit de late 18de eeuw.

Bekend werd het woord in brede kring toen in 1950 op de Duitse radio een gedicht werd voorgelezen van Goddfried Benn.

Was meinte Luther mit dem Apfelbaum?
Mir ist es gleich. Auch Untergang ist Traum.
Ich stehe hier in meinem Apfelgarten
Und kann den Untergang getrost erwarten.
Ich bin in Gott, der außerhalb der Welt
noch manchen Trumpf in seinem Skatblatt hält.

De uitspraak werd gemeengoed en kon aan zijn carrière als spreekwoord van Luther beginnen. Hoimar von Ditfurth, een indertijd zeer bekende Duitse wetenschapsjournalist, gebruikte het zelfs in de titel van zijn boek (bestseller) waarin hij waarschuwt voor een (ecologische) catastrofe veroorzaakt door de mens die hypertrofe technologische producten bezit (atoombom), maar wiens brein nog netzo primitief is als dat van onze in stammen jagende voorouders “So laßt uns denn ein Apfelbäumchen pflanzen. Es ist so weit”, Lingen Verlag, Köln 1985.

Helemaal on-Luthers is het nu ook weer niet, zowel inhoudelijk (theologisch) als materieel (horticultuur). Vergelijk het eens met dit citaat uit een brief van Luther aan zijn vriend Wenceslas Link (nieuwjaarsdag 1527 – geciteerd in Selderhuis 2016):

Ik ben er erg blij mee dat je me voor het voorjaar zaad belooft. Stuur maar zo veel je kunt, want ik zie er zeer naar uit… Ook al gaan de satan en zijn aanhangers tekeer, ik lach hen ondertussen mooi uit doordat ik me verheug over mijn tuin, dat wil zeggen over de zegeningen van de Schepper en daar tot Zijn eer van geniet.

De vondst van vroegere Luthervorsers om het appelboompjesverhaal te redden door het te koppelen aan het crisisjaar 1532 (Luther was zwaar ziek en dacht niet lang meer te leven te hebben en koopt toch een tuin van een zekere Hans Heuffner)  is mooi gevonden maar blijft Hineininterpretierung. Die trouwens z’n papieren verliest als je beseft dat de melding van de aankoop van deze tuin op een mededeling van F. S. Keil berust, die in de 18de eeuw over Luthers fysieke problemen lezenswaardige dingen geschreven heeft (vier boekdelen!), maar hier geen bron vermeld. Latere historici hebben die wel gezocht, maar ook niet gevonden.

Dick Wursten