Historie van de twee Antwerpse martelaren (NL-Latijn)

Men heeft ons dezer dagen een schouwspel laten zien, dat ik een jammerlijke vertoning zou noemen, als de hoofdpersonen, die het medelijden der toeschouwers opwekten, ook in eigen oog beklagenswaardig waren geweest, maar zij achtten zichzelf juist zeer gelukkig. Indien gij tijd en lust hebt om mij aan te horen, verneem dan in weinig woorden een kort relaas van het gebeurde. Uit die communiteit van de Augustijnen, die uit de stad Antwerpen gevankelijk naar Vilvoirde werden gevoerd, hebben drie in getal in hun ketterij volhard, terwijl de overigen herroepen hebben. Niets werd onbeproefd gelaten om hen hetzelfde lied te doen zingen, dat hun broeders zongen. Toen degenen, aan wie opgedragen was hen te overtuigen, zagen, dat zij met al hun inspanning niets bereikten, besloten zij deze al te hardnekkigen aan de doodstraf over te geven. Men bracht hen naar Brussel, waar zij zorgvuldig in de kerker in verzekerde bewaring werden gezet. Daar kwamen onze Leuvense magisters bijeen. Omdat van te voren het gerucht nauwelijks was doorgedrongen, trok de terechtstelling slechts weinig bezoekers van elders hierheen. Daags vóór O.L.V.-visitatie liep men te hoop op de markt. Drie bedelorden – want meer zijn er hier niet, zoals ge weet – verzamelden zich, het kruis voorop, zoals zij gewoon zijn, wanneer ze in plechtige processie voorttrekken. Reeds namen de professoren in de heilige godgeleerdheid, de abten, opvallend door hun mijters en met edelstenen bezette staven, die de bisschoppen vertegenwoordigden, en verschillende anderen hun plaats op de verhoging in. Want er was een heel groot platform opgericht vóór de Hal, die men gewoonlijk raadhuis noemt. Tegen elf uur voerde men de jongste van de drie over de markt. Ofschoon hij door de anderen overtroffen werd in jaren, overtrof hij hen in geleerdheid en welsprekendheid. Nadat hij naar binnen gebracht was en daar een korte tijd gewacht had, ging hij op de verhoging toe, gekleed in de priesterlijke gewaden. In het midden was een tafel geplaatst, als altaar toegerust en met een altaarkleed bedekt. Hiervoor wierp hij zich geknield terneer. Vol verbazing vestigden allen de ogen op hem. Met geen mogelijkheid kon men een teken van angst of zieleonrust onderscheiden. Achter hem ging de gardiaan van de Franciscanen staan en begon te preken. Tegenover hem maakte de bisschop een aanvang met de plechtigheden uit een geopend boek. Terwijl deze daarmee doende was, preekte de eerstgenoemde een vol uur. De jongeman verdroeg het zonder enige verandering in lichaamshouding of gelaatsuitdrukking. Daar ik de prediker wegens het lawaai niet kon volgen, hetgeen ook anderen overkwam, richtte ik mijn aandacht geheel op de beschuldigde. Waarom zouden wij verzwijgen wat ongetwijfeld waar is? De rustige en kalme gelaatstrekken drukten niet alleen duidelijke minachting voor de dood uit, maar ook de grootste bescheidenheid en vriendelijkheid. Hij scheen volkomen verdiept in gebeden en heilige overpeinzingen. Toen hem daarna bevolen werd verschillende handelingen te verrichten, was het wonderlijk hoe vlug en zonder bezwaar te maken hij gehoorzaamde.

Men beweert, dat hij daarbij gezegd heeft tot de dood toe gehoorzaam te zullen zijn. Toen de plechtigheden geëindigd waren, waarbij hij van priester geworden was tot wat het volk een leek of een wereldling noemt, ging hij met verwisselde kleding weer naar binnen. Daarna kwamen de twee anderen te voorschijn, ruiger van gezicht, want zij droegen een baard, terwijl die jongeman over wie ik zoëven sprak een glad gezicht had, welgevormd en heel knap. Maar zij traden naar voren met een ge­laatsuitdrukking, getuigende van dezelfde standvastigheid en blijmoedigheid. Wat moet ik meer van hen vertellen? Ook hun werd priester-en mannikswijding ontnomen. Van geheiligden tot profanen gemaakt, verlieten zij de verhoging. Kort daarop geleidde men twee naar buiten, die eerste en één van de laatste twee. Men ging naar het vuur, dat op dezelfde markt, waar alles had plaats gegrepen, gereed werd gemaakt. Terwijl zij naar voren gebracht werden en zich van kleding ontdeden, gaven zij veel getuigenissen, die voor alle toehoorders een overduidelijk bewijs van een gezonde en vrome geest geweest zouden zijn, als van mannen, die er naar hunkerden om, bevrijd van hun lichaam, met Christus verenigd te worden, wanneer men er niet van overtuigd was geweest, dat zij notoire ketters waren. Vervolgens hebben zij getuigd als christenen te sterven en te geloven in de heilige, katholieke Kerk. Zij zeiden, dat dit de dag was, waarnaar ze lang hadden uitgezien. Reeds van kleding ontdaan, alleen met een hemd aan, stonden zij nog lange tijd, meer zelf de palen omklemmend dan er aan gebonden. Het vuur ontbrandde nogal traag; of dit met opzet gebeurd is of door toeval zou ik echter niet durven uitmaken. Wat zegt gij? Begonnen zij niet te verslappen, gekweld door een zo lang uitstel? Lieten zij de moed niet zinken, toen de rook omhoog steeg, hetgeen toch betekende dat de vlam spoedig zou volgen? Als men mag oordelen op grond van houding, gelaat, oogopslag, kortom op grond van alle uiterlijke kentekenen, die alle als het ware meespreken en niet zelden zekerder en betrouwbaarder een gemoedsstemming openbaren dan woorden doen, moet ik zeggen, dat hun moed, volharding en blijmoedigheid, die voortdurend reeds zeer groot waren geweest, nog schenen te groeien. Toen vooral gaven zij blijk van een moeilijk te beschrijven blijdschap, zo sterk, dat het velen voorkwam alsof zij lachten. Bovendien zongen zij de geloofsbelijdenis en het kerklied ‘Te Deum Laudamus’ [Wij loven U, o God]. Zij zongen dit in wisselzang. Terwijl de één het vuur onder zijn voeten zag branden, zei hij, dat het hem voorkwam alsof er rozen onder hem gestrooid werden. Toen de vlam eindelijk oplaaide verstikte deze beider stem. Van nature heb ik steeds een afschuw van dergelijke taferelen en liefst blijf ik verre daar van. Ook hier zou ik geen toeschouwer hebben kunnen zijn, als zij zelf, die hier ter dood gebracht werden, voor mij, zo rustig op een veilige afstand toeziende, niet elk bezwaar hadden weggenomen door hun koelbloedigheid en blijde gelaatsuitdrukking. De derde is niet meer naar buiten gebracht. Waarom dit niet gebeurd is, heb ik niet vernomen. Sommigen vertellen dat deze weer tot inzicht is gekomen, maar aangezien hij niet in het publiek teruggebracht werd, is dit niet overtuigend. Anderen vermoeden, dat hij heimelijk omgebracht is. Hoe de zaak ook ligt, het zal niet lang verborgen kunnen blijven. De volgende dag, op het feest van de heilige Maagd, heeft een Franciscaan hier in een preek het volk er voor gewaarschuwd om, als men hen soms mocht vragen hoe het einde geweest was van hen die ze hadden zien verbranden, niet (1) te zeggen, dat zij gestorven waren in Luthers dwaalleer. Want hij beweerde bij herhaling van sommigen vernomen te hebben dat zij op het laatste ogenblik hun dwalingen herroepen hadden. Volgens zijn zeggen was dit geschied door de voorbeden van enkelen en de gunst van de heilige Maagd, die het wonder bewerkt zou hebben. Bijna hetzelfde verzekerde onze magister Nicolaas van Egmond te Leuven (want daarheen was hij teruggekeerd). Hij vertelde nl. om 12 uur in een preek, dat hij om 11 uur een brief had ontvangen van de edele en achtbare heer Franciscus van der Hulst, aan wie door de keizer de taak was opgedragen om ketters op te sporen en te vervolgen, waarin naar hij beweerde meegedeeld werd, dat die als ketters veroordeelde en verbrande Augustijnen tot een beter inzicht waren gekomen en hun dwalingen herroepen hadden, toen de vlam reeds oplaaide. Maar omdat al degenen die dicht bij het vuur gestaan hebben dit hardnekkig ontkennen, ware het wellicht beter geweest hierover te zwijgen, tenzij iemand meent, dat dit uit overvloed van liefde, welke alles hoopt, gebeurd is. Hartelijk gegroet.

 

Brussel, 10 juli, in het jaar 1523.

 

1) Dit “niet” ontbreekt in het oorspronkelijke. Uit het vervolg blijkt echter, dat het hier staan moet. Ook uit andere bronnen is ons bekend, dat men al spoedig het gerucht verspreidde dat de beide martelaren op het laatste ogenblik herroepen zouden hebben.

 

 

Exhibitum fuit nobis hisce diebus spectaculum, miserabile dicerem, si ij quorum miserebant spectatores, miseri sibi et non beatissimi uisi fuissent. Si uacat t lubitum est audire, accipe pancis rei summam. Ex coetu illo Augusti­nensium, qui ex ciuitate Hantuuerpiae Vilfordiam captiui perducti fuerinnt, tres numero in haeresi sua perstiterunt, caeteris palinodiam canentibus. Nihil non tentatum est, ut ij eandem quam fratres cecinerant, canerent cantionem. Vbi uiderunt se, quibus id negocij datum erat, cum omnia agerent, nihil agere, decreuere nimium pertinaces extremo tradere supplicio. Transportantur Bruxellam, asseruanter in carcere diligenter. Conueniunt eodem M[agistri] N[ostri] Louanienses. Fama, quia nulla ferè diem supplicij praecesserat, paucos alias aliunde huc pertraxit. Pridie Visitatienis Deiparae uirginis concurritur in forum. Conueniunt ordines mendicantium tres, neque enim plures, uti nosti, hic sunt, praeeunte uexillo crucis, ueluti solent cum solenni pompa incedunt. Considentibus ordine iam sacrae Theologiae professoribus, abbatibus mitris et gemmatis pedis conspicuis, qui loco Episcoperum aderant, et alijs nonnullis in pulpito. Nam pulpitum erectum erat peramplum ante Basilicam, quàm uulgo senatiriam domumn uocant. Sub horam undecimam ducitur per forum è tribus natu minimus, qui ut annis ab alijs superabatur, ita doctrina et facundia praestabat. Ductus intro, inibique paululum moratus, prodit in pulpitum indutus sacerdotali panoplia. In medio collocata erat mensa instar altaris ornata et instrata, ante hanc flexis genibus: procumbit, ibi omnes ueluti stupentes oculos defixere in eum. Nullam trepidationis aut perturbati animi significationem cernere licuit. A’tergo consistens concionem incipit Minoritarum Gardianus, ex aduerso ceremonias aperto codice auspicatur Episcopus. Horam totam, dum hic Ceremonias peragit, ille concionatur, eodem corporis habitu uultuque eodem iuuenis durabat. Ego quum concionatorum prae turba intelligere nequirem, quod et alijs accidebat, totus intendebam in reum. Quod verum esse constat, quorsum dissimulemus? Vultus compositus et placidus, non modo mortis contemptum, verum etiam summam modestiam ac mansuetudinem prae se ferebat. Precationibus et sacris oontemplationibus intento assimilis uidebatur. Postea iussus nunc hoc nunc illud facere, mirum quàm prompte quam non grauate paruerit. Ferunt dixisse obiter, se fore obedientem usque ad mortem, ijs peractis ceremonijs, ubi ex sacerdote factus fuisset, quem uulgus laicum aut secuiarem uocat, mutato uestitu intro abit. Post prodeunt duo reliqui facie horridiores, nimirum barbati: cum iuuenis ille, quem memoraui, mento non esset hirsuto, sed forma mirum in modum decenti et satis uenusta: sed prodeunt, uultu eandem constantiam et alacritatem attestante. Quid multis? Et his adimitur sacerdotium ac monachatus sacramentum: ex sacris prophani effecti relinquunt pulpitum. Post paulum educuntur duo, primus ille et alter è posterioribus. Itur ad ignem, qui in eodem ubi haec acta sunt, foro parabatur. Interea dum ducuntur, dum exuunt sese uestibus, multa audiebantur ex illis, quae argumenta clarissima omnibus fuissent sanarum et piarum mentium, et ueluti gestientium cum Christo coniungi soluto corpore, nisi persuasum fuisset haereseos esse conuictos. Subinde testificati sunt se mori Christianos, se credere in sanctam Ecclesiam catholicam. Aiebant hunc esse diem quem diu expectassent. Iam uestibus nudati, relicto tantum indusio, stetere diu, magis ipsi palos amplectentes, quàm alligati. Ignis lentius succendebatur: id consilio factum sit an casu, equidem affirmare non ausim. Quid inquis? non lanquescebant tam diurna mora uexati? non demittebant animos iam fumo subuolante, mox flamma sub sequutura? Quod si ex gestibus, fronte, oculis, denique ex toto uultu iudicare conuenit, quae omnia ueluti loquuntur, et non raro certius et meliori fide animum aperiunt quàm lingua: Fiducia, constantia atque alacritas, quae summae fuerant semper, incrementum sumere uidebantur: tum potissimum emicabat nescio quae hilaritas, adeo ut multis ridere uiderentur. Praeter alia recitabant symbolum fidei et canticum ecclesiasticum: Te deum laudamus. idque alternis dicebant, alter dum ignem succendi sub pedibus aspiceret, aiebat uideri sibi rosas substerni. Tandem exorta flamma uocem utriusque intercepit. Ego semper ab eiusmodi spectaculis natura abhorrui et lubenter abstinui, neque hic spectator esse potuissem, nisi ipsi de quorum capite agebatur, mihi, qui ociosus in tuto spectabam, scrupulum omnem sua magnanimitate et uultus hilaritate eiecissent. Tertius productus non fuit, id quare factum sit, compertum non habeo. Quidam hunc resipuisse narrant, uerum quando ad populum reductus non fuit publice recantaturus omnibus id persuaderi non potest. Quidam suspicantur clàm necatum. Vtut se res habet, diu latere non poterit. Postridie cum dies esset sacer Diuae uirgini, Minorita hic in concione populum admonuit, ut si forte rogaretur ex ipsis, quis fuisset exitus eorum, quos concremari uidissent, dicerent obijsse in fide erronea Lutheri: accepisse ex quibusdam dietitans se, in extremo momento defecisse eos ab erroribus, quod quidem precibus quorundam et diuae Virginis beneficio, quae miraculum aedidisset, factum aiebat. Idem ferè asseuerebat Louanij, nam redierat eo M[agister] N[oster] Nicolaus Egmondanus, narrans à prandio in concione, se hora undecima literas accepisse à probo et optimo Francisco ab Hulst, cui prouincia à Caesare demandata est investigandi et persequendi haereticos, quibus significari aiebat Augustinianuos illos haereseos damnatos et exustos, redijsse, cum iam flamma submoueretur, reiectis erroribus, ad saniorem mentem. Quod quia constanter hoc negant, quotquot proxime ignem astiterunt, tacuisse fortassis praestiterat, nisi si quis id ex abundantia charitatis, quae omnia sperat, factum existimet. Bene Vale.

Bruxellae sexto Idus Iulij anno 1523.