Katharina von Bora

[De header-image = Katharina von Bora. Ter gelegenheid van het huwelijk van Martin en Käthe, 1525, geschilderd door Lucas Cranach sr.] 

Achter (eigenlijk naast) Luther doemt de figuur op van Käthe, zijn vrouw. Helaas kunnen we haar alleen maar waarnemen door de ogen van Luther (en sporadisch andere mannen rond Luther). Wat we lezen zegt dus eigenlijk meer over die mannen dan over deze vrouw. Verder is er - meestal door mannen - n.a.v. datgene dat we dus eigenlijk niet weten over haar, gemoraliseerd, en gepreekt (voorbeeldfunctie). Ik vrees dus nogmaals ten koste van de echte vrouw, die wij niet kennen (niet kùnnen kennen). Wilt u toch haar stem horen, fictief natuurlijk, lees dan haar Tischrede, gericht tot Luther, die Christine Brückner haar in de mond legt (Als je gesproken had, Desdemona. Verborgen woorden van verbolgen vrouwen. (p. 26vv)).

Katharina von Bora, tekening van Marco Wagner (naar Cranach)

Als ik het voor elkaar krijg, zal ik om de duivel te trotseren mijn Käthe ten huwelijk nemen, nog voordat ik sterf.... zodat ik aan het einde weer ben in de staat waarin ik door God geschapen ben, en er van mijn papistische leven ook helemaal niets meer over is. 

[onderstaande excerpten komen uit H.J. Selderhuis, Luther, 2016, wat tussen vierkante haken staat zijn opmerkingen van mij. Ik heb aan het eind nog kort iets over de verdere levensloop van Käthe toegevoegd].

Huwelijk en seksualiteit

In Vom ehelichen Leben ((1522) [WA 10, 2, 275–304]) gaat Luther in op de vragen wat er allemaal verandert als huwelijk en seksualiteit niet meer vanuit de traditie maar vanuit de Bijbel benaderd worden. Het resultaat mag er zijn: Een opwaardering van de positie van de vrouw, eerherstel voor de ouders (aan wie kinderen weer eerst toestemming om te trouwen moesten vragen), en een grote opruiming van allerlei wetten en regels waardoor de huwelijkssluiting en het huwelijkse leven een stuk gemakkelijker en helderder gemaakt werden. Wat het celibaat betreft, was het voor Luther eveneens duidelijk: ‘Jullie hebben toch wel gelezen dat er in de Bijbel staat dat het niet goed is dat de mens alleen zij. God heeft niet voor niets twee soorten mensen gemaakt.’ Toen het eenmaal rondging dat kloostergeloften weleens in strijd met Gods Woord konden zijn, en dat het beter was te trouwen dan in te treden, verlieten duizenden nonnen en monniken hun klooster. Overal werd Luthers stem gehoord en dus ook in het klooster waar Katharina von Bora leefde.

Katharina

De aanstaande vrouw van Luther werd in 1499 geboren in Lippendorf, een klein stadje in de buurt van Leipzig. Over haar jeugd is ons nauwelijks iets bekend. Aan haar naam is te zien dat ze van adellijke afkomst is, maar dat had in die tijd nauwelijks nog wat te zeggen omdat de adel veel aan bezit en aanzien verloren had. Waarschijnlijk is dat ook de reden dat Katharina in het klooster zat, want zij had op zesjarige leeftijd haar moeder verloren en kort daarna had haar vader haar naar het benedictijnenklooster Brehna bij Bitterfeld gebracht. Zo onderging Katharina hetzelfde lot als vele andere dochters van adellijke afkomst en van kinderen die wees of halfwees waren. De opname in het klooster was gratis, voor kleding, onderdak en zelfs onderwijs werd daar gezorgd. Een ideale oplossing dus. Overigens kwam het ook voor dat kinderen in het klooster werden geplaatst door familieleden die graag een aantal erfgenamen kwijt wilden. Wie in het klooster zat, mocht geen eigen bezit hebben en van zulke mensen had je dus ook geen last als het om het verdelen van de erfenis ging. In 1509 verhuisde Katharina – ze was toen dus tien – naar het Cisterciënzerklooster Marienthron in het dichtbij gelegen Nimbschen. Misschien bood het haar enige troost dat de zuster van haar vader, tante Magdalena, ook in dat klooster woonde. In 1515 legde Katharina de kloostergeloften af en zo gingen al vroeg – definitief zo leek het – de deuren naar haar ouderlijk huis en die naar de rest van de wereld voor haar dicht. De volgende achttien jaren zouden bestaan uit zingen, bidden, lezen en vooral zwijgen. Het zijn dezelfde jaren waarin Luther ook in een klooster leefde, waar hij haast gelijk met Katharina, namelijk in 1505 in Erfurt, in was getreden. De volgende achttien jaren verliepen voor hem wel wat roeriger dan voor Katharina, van wie we dan ook niets meer horen totdat ze in 1523 weer opdook.

Ontsnapt

De nonnen in Nimbschen kregen ook van het rumoer rond Luther te horen en hoezeer de belofte van zwijgen ook gold, wat hij te zeggen had, werd gretig doorverteld. Sommige kloosterlingen vonden het niets, maar velen waren meteen enthousiast over Luthers visie. Vraag was wel wat ze ermee moesten, want uit het klooster vertrekken was praktisch al lastig maar drukkender was dat het verbreken van de geloften werd gezien als een zware zonde. Luther vernam dat een deel van de nonnen wel uit het klooster weg wilde en daarom werkte hij samen met de uit Torgau afkomstige Leonhard Koppe een plan uit deze dames te helpen bij hun ontsnapping. Koppe leverde als koopman ook aan het klooster en op 4 april 1523 bracht hij een lading goederen naar het klooster. Uit het klooster nam hij dit keer ook een lading mee terug, namelijk twaalf nonnen van wie er negen naar Wittenberg gingen, zoals Luther op 8 april liet weten: ‘Gisteren heb ik uit het klooster Nimbschen negen nonnen vanuit hun gevangenschap ontvangen.’ (brief aan Wenzesclaus Linck). De drie andere nonnen konden meteen naar familie. Het verhaal dat ze in haringtonnen zaten is prachtig, maar misschien net iets te spannend om waar te zijn, hoewel Koppe wel altijd leeg goed mee terugnam uit het klooster. Wel is waar dat Luther na deze ontsnapping meteen een open brief publiceerde en erkende dat ‘ik de geestelijke rover ben die deze arme zielen uit de gevangenschap van menselijke tirannie geleid heeft’. (WA 11, 394) Dat de actie in de paasnacht plaatsvond, paste wel mooi bij Pasen, ‘omdat Christus toen de Zijnen ook uit de gevangenis bevrijd heeft’ (id. 400). Hij zei er meteen bij dat dit wat hem betrof ook geen eenmalige actie hoefde te zijn: ‘Als God het toeliet, zou ik zo of op een andere manier alle gevangen gewetens bevrijden en zo alle kloosters leeg maken.’ En inderdaad herhaalde Luther deze actie in september 1525 toen hij dertien nonnen liet ontsnappen.

Spalatinus vroeg hem wat hij nu met die nonnen uit Nimbschen ging doen. Luther gaf als antwoord:

Ik ga eerst hun families inlichten en ze vragen of zij ze op willen nemen. Willen zij dat niet dan zal ik m’n best doen ze ergens anders een onderkomen te bezorgen. Er zijn al enkele mensen die zich hiervoor hebben aangeboden. Als het mij lukt, wil ik er ook een paar tot een huwelijk brengen. De gevluchte nonnen heten: Magdalena von Staupitz, Elsa von Kanitz, Ave Groß, Ave Schönfeld en haar zuster Margaretha, Laneta von Golis, Margaretha Zeschau en haar zuster Katharina, alsook Katharina von Bora. Ze zijn er zo slecht aan toe dat ze ons medelijden wel degelijk nodig hebben: de hulp aan hen is een dienst aan Christus. Ondertussen zijn ze op echt wonderlijke wijze gered.

WA Br 3, 55 (10.4.1523, aan Spalatinus).

Van de negen nonnen die in Wittenberg terechtkwamen, kon er niemand terug naar haar familie, want die was er niet of woonde in gebieden waar men katholiek gebleven was en de nonnen niet veilig zouden zijn. Luther moest echter wel zien dat hij op een nette manier van ze afkwam en zo bracht hij de non die Katharina heette onder in het gezin van de jurist Reichenbach. Ze hielp veel mee in het grote huis van de ook toen al beroemde en vermogende schilder Lucas Cranach en diens vrouw Barbara. De schilder was zowel een prima kunstenaar als een goede handelaar, want behalve schilderijen maken had hij ook nog een eigen drukkerij en een apotheek. Altijd was er wel een groep schildersleerlingen in huis en er kwamen mensen van heinde en ver op bezoek, zodat er voor Katharina echt een nieuwe wereld openging. Inmiddels was ze vierentwintig jaar. Ze had achttien jaar gezwegen, maar was het spreken zeker niet verleerd en stond zelfs al snel bekend als iemand die bepaald niet op haar mondje gevallen was. Zo werd ze ook wel als ‘Katharina von Siena’ aangesproken, een verwijzing naar de heilige vrouw uit de veertiende eeuw die met haar verbale kracht zelfs invloed op pausen en vorsten uitoefende.

Aan de man

Het leek Luther het beste de nonnen aan de man te brengen. Dat was zo ongeveer de enige mogelijkheid voor die vrouwen om een normaal leven te krijgen, want geld noch familie was beschikbaar. Eind 1524 had hij de nonnen uit Grimma bijna allemaal aan de man gebracht. 

‘Er is er echter eentje waar ik maar niet vanaf kom’, schreef Luther. Ze heet Katharina von Bora, een jonge adellijke dame die al als kind in het klooster is gekomen. Het is een pittige tante en ze is ‘trots en hoogmoedig’. (WA Tr 4, nr. 4786) Ik zou niet weten ‘welke duivel haar zou willen hebben’. Ze woont in het huis van Cranach, helpt daar goed mee, maar valt ook op doordat ze bepaald niet op haar mondje gevallen is. Ik heb wel een kandidaat voor haar, ‘maar als ze die niet wil hebben, kan ze nog mooi een tijd op een ander wachten’.

(WA B 3,358)

 Het leek toch nog goed te komen, want in het huis van Luthers collega Melanchthon leerde Katharina Hieronymus Baumgärtner kennen. Deze jongeman kwam uit Neurenberg en was de zoon van een welgestelde burger uit die stad. Katharina en Hieronymus voelden wel iets voor elkaar, maar vader Baumgärtner riep zijn zoon terug naar huis, misschien wel omdat hij vreesde dat een ex-non als schoondochter zijn aanzien zou schaden. Luther liet het er echter niet bij zitten en schreef een jaar later nog een brief aan Hieronymus:

Als jij die Käthe von Bora nog wilt hebben, moet je wel snel zijn voordat ik haar aan een ander geef die in feite al klaarstaat. Bovendien is haar liefde voor jou nog niet verdwenen.

Het bleek een vergeefse actie, want vanuit Neurenberg bleef het verder stil. Degene die volgens Luthers brief al klaar zou staan, was ene dr. Glatz. Hij wilde wel maar Katharina niet. Ze was haar liefde voor Hieronymus nog niet kwijt en verder vond ze Glatz verre van aantrekkelijk. Toch liet het haar niet koud dat Luther zo z’n best deed iemand voor haar te vinden en ze zag ook wel in dat ze niet al te kieskeurig moest zijn omdat ze geen inkomsten had. Daarom nam ze in maart 1525 een nogal ongebruikelijk initiatief. Via Nikolaus von Amsdorff, die een vriend van Luther was, liet ze de reformator weten dat hij haar niet langer met die Glatz moest lastigvallen en dat ze eventueel wel met Amsdorff of Luther zelf wilde trouwen. Luther keek wel even raar op van dit voorstel, vooral omdat hij zelf helemaal niet aan trouwen dacht. Als hem gevraagd werd waarom hij zelf niet ging trouwen, antwoordde hij dat een huwelijk niets voor hem was. Hij voelde wel seksuele impulsen,  maar met de dood voor ogen (als ketter), leek het hem niet verstandig om te trouwen (WA B 3, 394). Iets later (volgens Selderhuis onder de indruk van de ravage van de boerenopstand) trouwt hij toch.

Als ik het voor elkaar krijg, zal ik om de duivel te trotseren mijn Käthe ten huwelijk nemen, nog voordat ik sterf.... zodat ik aan het einde weer ben in de staat waarin ik door God geschapen ben, en er van mijn papistische leven ook helemaal niets meer over is’. 

(WA B 3,481, 531).

Zoals er argumenten vóór waren, bestonden er ook argumenten om niet te gaan trouwen. Zou hij als getrouwde monnik niet een mikpunt van spot worden en zou hem het verwijt niet treffen dat de eigenlijke reden van zijn reformatorische actie was dat hij kon trouwen? Ook hier is te zien hoe Luther zocht naar wat het beste was, zocht naar de weg waarin hij de zaak van het Evangelie kon dienen, en dat betekende ten slotte dat het ‘pro’ veel sterker woog dan het ‘contra’. Van de smaad was hij zich bewust en die kwam ook.

Käthe

Het werd dus Katharina, hoewel Luther dat aanvankelijk niet wilde omdat hij haar te hoogmoedig vond. Blijkbaar vonden anderen dat ook, want toen hij bekendmaakte dat hij met Katharina wilde trouwen, kwam het dringende advies van vrienden vooral niet haar te trouwen maar iemand anders te kiezen. Kort voor de huwelijksdag zei Luther ook zelf nog: ‘Ik heb mijn vrouw niet lief, maar waardeer haar wel.’ (WA B 3, 541). Beetje raar gezegd en ook niet echt leuk om te lezen, maar blijkbaar was dat de situatie. Die duurde overigens niet lang, zoals te merken is aan hoe Luther later over en met Katharina sprak. Ondanks het advies van vrienden en het gebrek aan liefde, sloten de ex-monnik en de ex-non in juni 1525 toch hun huwelijk. De plechtigheid vond plaats op de destijds gebruikelijke wijze. Op 13 juni – om precies te zijn om vijf uur ’s middags – kwamen bruidspaar, familie en vrienden bij elkaar. Luther en Katharina gaven elkaar het jawoord, ds. Bugenhagen bevestigde het huwelijk met een gebed en vervolgens vond de bijslaap plaats, en dat nota bene in aanwezigheid van enkele gasten. Dit lijkt een wat vreemde manier van een huwelijk te beginnen, maar dat viel destijds reuze mee. Bruid en bruidegom gingen beiden goed gekleed op het huwelijksbed liggen. Een paar mensen stonden als getuige rondom het bed en vervolgens gebeurde er helemaal niks. Het huwelijk was door deze daad helemaal officieel en twee weken later volgde na een kerkdienst het openbare feest. Deze publieke kerkgang en het feest werden verschoven naar 27 juni, zodat ook familie en bekenden van buiten Wittenberg erbij konden zijn. Luthers vader en moeder kwamen dus, en natuurlijk ook Leonhard Koppe, Katharina’s ontvoerder. Verder waren Lucas Cranach en zijn vrouw als getuigen aanwezig, en ook Johann Apel - die kort ervoor ook met een non was getrouwd -, Justus Jonas en Johannes Bugenhagen die de kerkelijke inzegening verrichtten. Van de stadsraad kreeg Luther 20 gulden om het feest te betalen. En van keurvorst Johann kreeg het echtpaar zelfs 100 gulden om het huishouden in te richten. Toch werd het feest met mate gevierd en werd er niet echt een publieke vertoning van gemaakt. Er was namelijk nogal wat kritiek op deze stap. De een vond het ongepast om in deze tijden van oorlog en andere ellende te gaan trouwen en feestvieren, en anderen vonden het sowieso ongepast dat Luther met een huwelijk de indruk wekte tot vleselijke liefde vervallen te zijn. Melanchthon sprak er schande van. Ook hij vond het tijdstip midden in de bloedige Boerenoorlog volledig ongepast en was van mening dat Luther zich door een voormalige non had laten inpakken. Toch hoopte hij dat nu het toch een feit was, het huwelijk een rustgevende werking op Luther zou hebben. Die hoop was tevergeefs, zoals nog zal blijken.

Eerst echter genoot Luther van het huwelijkse leven. De eerste weken die ‘kussenweken’ genoemd werden, omdat naar oud gebruik het bruidspaar in die tijd op één kussen sliep, zag hij als een geschenk van God, ook al moest hij er wel aan wennen dat als hij ‘‘s morgens wakker werd hij twee vlechten naast zich zag liggen’. (WA Tr 3, nr. 3178). Maar hij genoot er wel van zoals blijkt uit de brief aan Spalatinus bij wiens huwelijk hij niet kon zijn, maar die hij wel aanraadde zijn vrouw op het huwelijksbed innig te omarmen en intens te kussen. Ondertussen moest Spalatinus dan denken: ‘Zie dit mens nu eens, het mooiste schepseltje van God dat Christus mij gegeven heeft. Hem zij lof en eer.’ En dan zou Luther op Spalatinus’ trouwdag hetzelfde denken en ook doen. (WA B 3 635). De kritiek deed hem niet veel.

Zij die mij, samen met Katharina von Bora, een slechte naam willen bezorgen, heb ik nu de mond gesnoerd (…). Door dit huwelijk heb ik mij zo verachtelijk en minachtingwaardig gemaakt dat ik mag hopen dat alle engelen lachen en alle duivels huilen. De wereld en haar wijzen begrijpen dit goddelijke en heilige werk niet, ja, ze stellen het via mijn persoon als goddeloos en duivels voor. Daarom doet het mij zeer goed dat mijn huwelijk de mening veroordeelt en beledigt van hen die blijven doorgaan met hun onkunde van Gods wil. 

(WA B 3, 533, 16.6.1525, aan Spalatinus)

Luther wilde met zijn huwelijk een voorbeeld stellen. Hij bleef wel in het klooster van Wittenberg wonen, dat in de volksmond het Zwarte Klooster heette:

Zelf leef ik nu al als een gewone huisvader, maar ik blijf in het klooster wonen zolang Christus dat wil. Want ik heb geen vrouw genomen alsof ik nog lang wilde leven (ik denk zelfs dat mijn einde snel dichterbij komt, zeker als ik zie hoe de vorsten en het volk tegen mij tekeer gaan), maar ik wilde mijn leer – die wellicht al snel na mijn dood in de verdrukking zal komen – door mijn eigen voorbeeld met kracht achterlaten en dat ter wille van de zwakken. 

(WA B 3, 584, 29.9.1525, aan Michael Stifel).

Vrouw des huizes

Het huwelijk tussen professor Luther en de zestien jaar jongere Katharina von Bora was een feit. Vanaf dat moment sprak Luther alleen nog maar over zijn Käthe en dat was mooi, maar veranderde niets aan de belabberde financiële situatie van het jonge echtpaar. Luther verdiende jaarlijks niet meer dan acht gulden en Katharina verdiende niets en had ook niets. Gelukkig boden enkele huwelijksgeschenken enig soelaas, hoewel over de bruikbaarheid daarvan te twisten valt. Van de burgemeester van Wittenberg kregen ze een vat bier en van de universiteit een zilveren beker, een aardige combinatie dus. De aartsbisschop van Mainz nota bene was weer eens in een wat reformatorische bui en schonk het bruidspaar twintig gulden, hetgeen dus tweeënhalf keer Luthers jaarsalaris was. Het geschenk werd aanleiding tot de eerste huwelijkscrisis, want Luther wilde van deze man die de aflaathandel van Tetzel organiseerde en Luther in de ban liet doen, niets aannemen en eiste dat de twintig gulden teruggestuurd werden. Käthe was wijzer en doortastender en leefde blijkbaar bij de gedachte dat ook bisschoppelijk geld niet stinkt. Zonder dat Luther het merkte, zorgde zij ervoor dat het geld in het huishouden bleef. Katharina was namelijk bij Luther ingetrokken en zo kwam ze toch weer in een klooster terecht. Het woonhuis was een langgerekt gebouw met nauwe cellen voor monniken en slechts enkele grotere vertrekken waar de samenkomsten en de maaltijden plaatsvonden. Er hoorde een brouwhuis bij, zoals nagenoeg elk klooster een eigen bierbrouwerij had. Aan de ene kant van het klooster lag – naast de kapel – het kerkhof, aan de andere kant de stadsgracht. In een van die kleine cellen had Luther al die jaren gewoond, voor zover je dat wonen kon noemen. Zelf zegt hij daarvan: ‘Voordat ik trouwde, heb ik een jaar lang mijn bed niet opgemaakt zodat het stro met mijn zweet doordrenkt was. Ik werkte keihard van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en liet me daarna doodmoe op m’n strozak vallen, zodat ik nergens meer iets van merkte.’ Keurvorst Frederik de Wijze had, terwijl hij al doodziek was, besloten dat Luther het klooster en de kloostertuin zou krijgen, maar op voorwaarde dat als Luther het zou willen verkopen, Frederik het recht van eerste koop zou hebben. Johann (1468–1532), die Frederik in 1525 opvolgde en met wie Luther wel persoonlijk contact had, bevestigde deze schenking en zo kon het klooster uitgroeien tot het Lutherhuis dat er vandaag nog steeds staat. Käthe had meteen werk zat. Ze zorgde ervoor dat een badkamer werd ingericht. Ook nam ze maatregelen de vochtigheid vanuit de aangrenzende gracht tegen te gaan. Het kerkhof spitte ze eigenhandig om en maakte er een groentetuin van. Ook liet ze enkele stallen bouwen en hield ze zich bezig met het houden en fokken van varkens, koeien, geiten en kippen. Toen na enige jaren Luthers jaarsalaris verhoogd werd van acht naar honderd gulden, kocht Käthe een stuk land genaamd Zuhlsdorf, dat vroeger aan haar familie had toebehoord. Als gevolg van die aankoop sprak Luther haar in zijn brieven aan als: ‘Hare Majesteit, jonkvrouw Katharine Lutherine von Bora en Zuhlsdorf, mijn liefje.’ Of in een andere brief: ‘Aan de domineese, bierbrouwster, tuinierster en wat ze al niet meer kan.’ Het zal hem duidelijk geworden zijn dat hij achteraf blij mocht zijn dat hij met haar was blijven zitten. ‘Ik ben niet hartstochtelijk verliefd, maar ik heb mijn vrouw lief en waardeer haar zeer. (WA B 3, 541.) 

De waardering voor Katharina is het best af te lezen aan de aanhef van Luthers brieven. Zo begon hij met ‘mijn Käthe … mijn ketting … mijn rib … mijn Eva … mijn bazin … mijn Mozes … mijn varkenshandelaar … mijn predikante … mijn bierbrouwster … mijn liefje … mijn morgenster…’ Deze waardering voor de vrouw die heer des huizes was, past niet zo goed bij Luthers visie op de vrouw die zeker naar huidige maatstaven ergerlijk of hooguit amusant is. Zijn visie op de vrouw had hij al duidelijk gemaakt met de woorden: ‘Onkruid groeit snel; daarom groeien meisjes sneller dan jongens.’ (WA Tr 3, nr. 2890a.) Nog uitvoeriger deed hij dat toen hij vanuit de lichaamsbouw van een vrouw conclusies trok over haar vermogens: ‘Vrouwen ontbreekt het aan sterkte en aan lichaamskracht, en aan verstand. Mannen hebben een brede borst en kleine heupen en daarom hebben ze ook meer verstand dan vrouwen, die een smalle borst hebben, brede heupen en een breed achterste. Daarom moeten ze thuis blijven, stil in huis zitten, de huishouding doen, kinderen baren en opvoeden.’ (WA Tr 1, nr. 55).  [U ziet het, de slimme Luther is soms ook gewoon dom].

Full house

Het duurde niet lang of Katharina’s tante Lena trok bij hen in en ook zij was dus weer terug in het klooster. Het gezin breidde zich uit. Binnen acht jaar werden zes kinderen geboren. Toen Luthers beide zusters stierven, namen hij en Katharina de kinderen bij hen in het klooster op. Luthers ene zus had vijf kinderen, de andere zes zodat Katharina nu voor zestien kinderen moest zorgen. Het was dan ook geen wonder dat haar dag elke morgen om vier uur begon, waaraan ze de naam ‘de morgenster van Wittenberg’ te danken had. Bij al die drukte had ze nauwelijks tijd uit de Bijbel te lezen en daar was Luther minder over te spreken. Hij beloofde haar vijftig gulden als ze tussen Kerst en Pasen de hele Bijbel uit zou lezen, een aanbod dat zij blijkbaar aannam, want Luther meldde aan een vriend: ‘Ze neemt het serieus, want ze is al bij Deuteronomium.’ WA B 7, 317. Vanwege het lage salaris was het destijds noodzakelijk en gebruikelijk een aantal studenten in huis te hebben. De professor verdiende iets bij en de studenten hadden leerzaam onderdak. Maar wat Luther betrof, hoefden de studenten bij hem niets te betalen. Katharina dacht daar anders over en dat bezorgde haar bij menig student een slechte naam. Elke vluchteling kon bij de familie Luther terecht. Zo schreef Luther:

‘Lieve Käthe, als we geen geld meer hebben, moet je die zilveren bekers maar verkopen. Immers, als je iets wilt hebben, moet je eerst iets weggeven. God zorgt wel dat er weer iets anders voor in de plaats komt.

WA Tr 4, nr. 5117.

Dit beleid resulteerde na twee jaar huwelijk al in een schuld van honderd gulden. In de jaren daarna zou er niet veel veranderen. Een bewaard gebleven briefje maakt de balans op: ‘Nota: wonderlijke rekening tussen doctor Martin en Käthe, anno 1535/1536.’ WA B 9, 571–587.     Alles werd opgeteld en hun bezit bestaat uit: acht varkens, vijf koeien, negen kalveren en één geit. Zelfs de peterselie en de geslachte os worden genoemd. Daarna worden de uitgaven opgeteld en het resultaat is een nadelig saldo. Onderaan de nota schreef Luther: ‘Ik ga nooit meer iets uitrekenen want je wordt er alleen maar verdrietig van.’ Voor Käthe werd het leven er bovendien niet gemakkelijker op nu haar man was uitgegroeid tot de beroemdste man ter wereld. Bovendien een man die veel ziek was. Gelukkig hield Katharina zich ook bezig met het maken van geneesmiddelen, onder andere gemaakt van kruiden en mest. De zogeheten ‘drekapotheek’ stond destijds in hoog aanzien. Luther vroeg zich af waarom God zo veel geneeskunde in uitwerpselen had gestopt, zeker omdat het niet altijd hielp. Toen Katharina hem op een van zijn reizen weer zo’n middel nastuurde, schreef hij: ‘Varkensmest stopt het bloeden, paardenmest met wijn gemengd is goed tegen verkoudheid, mensenuitwerpselen maken een wond weer dicht, maar die mest van jou helpt mij niets.’ WA B 6, 203; WA Tr 2, nr. 2040.  Op 6 juli 1527 kreeg Luther zo veel last van zijn hart, dat hij flauwviel. Hij had al aangevoeld dat er zoiets zou komen en wilde daarom ’s morgens al biechten. Hij vreesde te sterven en voor God te moeten verschijnen. Dat was ook de reden dat hij de volgende dag het avondmaal wilde ontvangen. Geestelijk en lichamelijk was hij er slecht aan toe, en vroeg naar Käthe en hun zoon Hansje om afscheid van hen te nemen. Hij had nog zo veel willen doen zoals tegen de dopers schrijven, maar dat kwam er dus niet van. Bovendien zouden zijn vijanden de spot drijven met zijn sterven. In die geestelijke moeite probeerde hij zicht te houden op Gods genade maar moest hij toegeven dat dit niet lukte en hij Christus verloren had en de vertwijfeling zich van hem meester had gemaakt. WA B 4, 226–227.

 ‘Ik houd van mijn Käthe en ik weet dat ik meer van haar houd dan van mijzelf. Dat betekent dat ik liever zou sterven dan dat zij en de kinderen zouden moeten sterven.’

WA Tr 2, nr. 1563.


 

VERDERE LEVENSLOOP

Na hun huwelijk wordt Katharina 'Frau Luther', d.w.z. ze trekt bij Luther in en gaat zijn leven delen, beter gezegd: op orde brengen. Luther woont immers nog in hetzelfde klooster (en ongeveer op dezelfde manier) als waar hij monnik was. Meubilair is er bijna niet. [zie boven voor meer info]. Op haar rust de taak om van het klooster met zijn kleine kloostercellen en grote zalen een woning te maken.

En ... kinderen te baren. 

Op 7 juni 1526 schenkt Katharina het leven aan een zoontje dat de naam Johannes krijgt. Luther zegt: ‘Opdat ik elke keer als ik zijn naam noem zal denken aan de genade des Heeren, die ons heden wedervaren is.’ Na Johannes volgen nog Elisabeth (1527-1528), Magdalena (1529-1542), Maarten(1531-1565), Paul en geeft als laatste Margareta (1534-1570). Luther noemt haar dikwijls ‘Herr Käthe’ en geeft haar in de grote huishouding en met het bewerken van de landerijen volledig de vrije hand. [zie boven voor een iets andere appreciatie: Luther liet haar de materiële kant van zijn leven opknappen, zonder daarin zelf verantwoordelijkheid te nemen]. Naast hun eigen kinderen, nemen ze ook de kinderen van Luthers zuster in huis op, als de ouders overleden zijn. Ook wonen er bijna altijd familieleden en vrienden in huis. Vanaf 1529 komen er bovendien nog studenten bij: in totaal gemiddeld 30 à 40 personen. Daarnaast krijgen ze gasten uit heel Europa.

Katharina staat ’s morgens om vier uur op en past alles wat ze in het klooster geleerd heeft met vaste hand toe. Een ijzeren regelmaat en hard werken met een bepaalde orde. Ze koopt akkerland en zaait gewassen en plant fruitbomen. Ook vangt ze vissen in haar vijver. Ze oogst, en verzorgt het talrijke vee. Op 18 februari 1546 overlijdt Maarten Luther. Hij wordt bijgezet in de Slotkapel van Wittenberg. ‘De weduwstaat is een verlaten staat’ is een gezegde. Dat heeft ook Katharina ervaren. De mensen vergeten de 'imaginaire held' Luther niet (om zijn geestelijke erfenis wordt enorm geknokt, Melanchthon tegen de gnesio-lutheranen etc.), maar ze vergeten wel zijn vrouw. Het zijn zware jaren voor haar met grote financiële moeilijkheden. Ze moet in 1546 en 1547 met haar vier kinderen vluchten vanwege de Schmalkaldische Oorlog (Keizer Karel V verovert Wittenberg). Haar investeringen in onroerend goed en grond verliest ze daardoor. Armoe dreigt.

In de zomer van het jaar 1552 breekt in Wittenberg de pest uit. Uiteindelijk besluit Katharina om naar Torgau te vluchten. Met paard en wagen volgt zij met haar kinderen de weg, vanwaar ze negenentwintig jaar geleden kwam aangereden. Vlak voor de stad slaan de paarden op hol en Katharina valt uit de wagen. Ze ligt maanden op bed en op de avond van een bitterkoude winterdag,op 20 december 1552, overlijdt Katharina von Bora in het bijzijn van haar kinderen. 

De huisvriend (die theologisch zwaar onder vuur ligt), Phlippus Melanchton, houdt een gedenkrede (Latijn). Katharina von Bora wordt bijgezet in de Marienkirche van Torgau.

Dick Wursten (met dank aan Johan Opoka)