Sola Scriptura (Turmerlebnis)

Het Schriftprincipe

De vraag na het afwijzen van het kerkelijk leergezag is: vera et falsa religio ? Wie bepaalt dat? En hoe doe je dat? En wat is dan ‘de kerk’ eigenlijk, als je de ‘kerkelijke leiders’ verwerpt. Waarop kun je nog terugvallen?Na een volledige deconstructie van het sacramentele heilsinstituut van de katholieke kerk, waarvan de paus de representant en de garant was, trekt Luther zich terug op het Schriftprincipe. Het is ons als proeestanten zo vertrouwd, dat we eigenlijk niet doorhebben dat deze radicale terugplooiing op de Bijbel alleen nieuw is in de kerkgeschiedenis. Het heeft ook grote gevolgen, want nu keert de Bijbel zich tegen de reële Kerk, die daardoor in een diepe identiteitscrisis raakt. 

In mijn boek over ‘Religie en Vrijheid’ heb ik hier een apart hoofdstuk aan gewijd. U kunt dat hier online lezen.  Hieronder het fragment daaruit over Luthers eigen relaas over hoe hij dit principe heeft ‘ontdekt’:

De Turmerlebnis

In het voorwoord bij de uitgave van zijn Opera Latina I (1545) vertelt Luther hoe hij op die idee is gekomen. Het is een autobiografisch stukje waarin hij de lezer meeneemt naar zijn studeerkamer (in een aangebouwde toren van het klooster, vandaar ‘Turmerlebnis’). Die toren was overigens toen nog geen echte toren (zoals men nu aan de toeristen toont), maar meer een uitbouw, boven de cloaca (toilet). Ja stof voor Freudianen (zoals Erikson in zijn Young Man Luther).

Oude prent (screenshot uit een film) van het klooster, waarop de uitbouw (in het rood aangeduid) nog duidelijk geen toren is.

We zien een gelovige monnik, tevens professor theologie, die bang is voor Gods oordeel omdat Luther van zichzelf weet dat hij allesbehalve een heilige is, ookal doet hij nog zo z’n best. Gevangen in deze psychisch tamelijk belastende situatie zoekt Luther naar een uitweg. Filosofen, theologen, kerkvaders, rituelen, sacramenten: ze helpen allemaal niet. Hij blijft vastzitten in zijn ‘aanvechtingen’, zoals Luther die negatieve gevoelens steevast noemt: tentationes tristitiae in het Latijn. Anders geformuleerd: De gangbare religie does not deliver . Alle officiële kerkelijke middelen die er zijn om zijn geweten te ontlasten, ze werken niet. Het sacramentele heilsinstituut van de ‘kerk’ faalt. Eén ding blijft hem nog over: de Bijbel. Daarin staat het ‘Evangelie’ en dat schijnt een ‘blijde boodschap’ te zijn. Dat leest hij ook bij de apostel Paulus (Romeinen 1:16-17): ‘Het evangelie is een kracht Gods tot redding voor wie gelooft’. Fantastisch. Dan zal hij zich daaraan vastklampen, maar dan volgt de mokerslag: ‘Want in het evangelie wordt Gods gerechtigheid openbaar’, zo vervolgt de tekst. Deze toevoeging stort hem in een diepe crisis. Als ook het Evangelie, de kern van zijn ‘religie’, een strenge en rechtvaardige God verkondigt, dan is er geen hoop meer. Hij voelt zich definitief veroordeeld, verloren en verdoemd. Luther schrijft:

…Ik haatte dat begrip ‘Gods gerechtigheid’, want door de traditie van alle doctores had ik geleerd dit te interpreteren in die zin dat God rechtvaardig is en dus zondaren en onrechtvaardigen straft. Nu, ik leefde als monnik zeker onberispelijk, maar ik voelde me nog steeds een zondaar in Gods ogen. Ik kon geen rust vinden in mijn geweten. Ik durfde er niet op te vertrouwen dat ik genoeg gedaan had om God te verzoenen. Ik had dus die rechtvaardige God die zondaars straft, helemaal niet lief. Integendeel: ik haatte Hem. In stilte lasterde ik hem nog net niet, maar ik mopperde verontwaardigd: Het lijkt waarachtig wel of het voor God nog niet genoeg is dat wij, arme en voor eeuwig verdoemde zondaren, door de wet met z’n tien geboden terneer geworpen worden. Want nu komt God met zijn evangelie er nog eens een schepje bovenop doen door ons ook bij monde daarvan met zijn gerechtigheid en grimmige toorn te bedreigen! Zo raasde ik maar door met een wild en verward geweten. En intussen bonkte ik onbeschaamd bij Paulus op de deur, vurig verlangend te verstaan wat Paulus met die uitspraak toch wilde zeggen. Dag en nacht tobde ik me er mee af tot ik, dankzij Gods erbarmen, oog kreeg voor het verband waarin die woorden staan: ‘Gods gerechtigheid wordt openbaar in het evangelie, gelijk geschreven staat: de rechtvaardige zal door zijn geloof leven’ . Toen begon het me te dagen: Gods gerechtigheid betekent hier een geschenk van God waardoor de rechtvaardige leeft, namelijk uit geloof. Het was mij alsof ik opeens opnieuw geboren werd en door geopende poorten het paradijs zelf was binnengegaan…

De kracht van woorden

Het eigenaardige van deze wedergeboorte is dat die bewerkt wordt door zoiets prozaïsch als een taalwetenschappelijke vaststelling: een tekst die Luther maar niet vatten kan, begint plots te spreken doordat hij zich realiseert dat een idiomatische constructie in het Grieks (i.c. een genitief: Gods gerechtigheid, in het Latijn: Iustitia Dei) ook anders geïnterpreteerd kan worden dan hij altijd had gedacht. ‘Gods gerechtigheid’ hoeft niet perse te verwijzen naar een ‘eigenschap van God’ (de distributieve gerechtigheid, waarmee hij het goede beloont en het kwade straft), maar kan ook verwijzen naar iets was God doet aan/in/door de mens. Als dat zo is, dan is Gods gerechtigheid dus niet iets om bang voor te zijn, maar een geschenk om hem voor te danken. Hij maakt ons rechtvaardig. Gerechtigheid wordt zo voor Luther bijna synoniem met barmhartigheid. Eigenlijk staat dit allemaal al bij Augustinus te lezen, zoals Luther elders ook zelf vaststelt. Maar een tekst kunnen lezen wil nog niet zeggen dat de boodschap ook doorkomt, dat ‘de frank’ valt. Dat is dus voor Luther uiteindelijk wel gebeurt en wel zo sterk dat hij het gevoel had dat ‘de poorten van het paradijs zich openden’. Deze metafoor onderstreept hoeveel deze exegetische ontdekking voor hem heeft betekend, hoe krachtig deze nieuwe ‘lezing’ hem heeft beroerd. Of zijn ontdekking grammatologisch correct is, doet er niet toe, het gaat erom dat Luther zijn kerk- en wereld-veranderende ontdekking (de rechtvaardiging van de zondaar, niet op grond van diens werken, maar op grond van Gods genade) ophangt aan de interpretatie van een tekst, een Schriftwoord. Dat woord redt, letterlijk. Luther universaliseert vervolgens zijn eigen ervaring: Wat mij gered heeft, zal ook voor anderen werken. Deze ervaring, een combinatie van bijbelwoord en doorleefd geloof, wordt voor Luther het hoofdkenmerk van de christelijke religie. Hiermee tekstualiseert hij de kern van het geloof. Het gaat er niet om dat je ‘bij de club hoort’, het gaat er niet om dat je de riten volgt, je gebeden op tijd zegt of de geloofsleer kent. Ook niet of je de priester (bisschop, paus) begroet als man Gods. Daar gaat het allemaal niet om. Het gaat maar om één ding: beleven dat een woord je bevrijdt. En ‘woord’ zou hier eigenlijk tegelijk met en zonder hoofdletter geschreven moeten worden want Gods Woord en een tekst vallen samen. Juist dat is het geheim. Ik signaleer nu vast, dat het in het licht van deze oer-ontdekking paradoxaal is, dat al heel snel toch weer de ‘precieze formulering van de geloofsleer’ heel belangrijk wordt. In klassieke termen gezegd: Bij Luther gaat het volgens zijn eigen ‘hervertelling’ niet om de fides quae (dat wat je gelooft, de rationele verwoording) maar om de fides qua (het geloof waarmee je gelooft, de existentiële ervaring). Dat geloof redt. Luthers theologische uitspraken zijn onbegrijpelijk voor iemand die geen gevoel heeft voor de performatieve kracht van de taal. Dit is ook het ‘novum’ van Luther en zal trendsettend blijken te zijn in de geschiedenis van de kerk . Zijn ‘bekeringservaring’ wordt voorbeeldig binnen het protestantisme. Tot op de huidige dag zoeken mensen via een doorgedreven bijbelstudie naar ‘wat God nu eigenlijk zeggen wil tot mij‘. Zij verwachten heil van teksten. Ze zullen het zelf niet zo zeggen, want ze verwachten het heil van God, maar dat gaat toch doorheen die teksten. Luther heeft m.a.w. de tekstanalyse en exegese – en Luther deed dat op een wetenschappelijke manier – ingeschreven in de religieuze identiteit van de christen. Iedereen moet dan ook leren lezen, mannen en vrouwen, want zo en zo alleen kan Gods genade tot hen komen. Welke consequenties dit heeft voor de zelfdefinitie van de christelijke religie en met name voor de organisatie van de christelijke geloofsgemeenschappen, zijn in de nasleep van Luthers’ verzet tegen de aflaatkramerij waarmee hij een publieke figuur werd, langzaamaan duidelijk geworden. Ze waren dat niet meteen, ook niet voor Luther zelf. Ze kwamen gaandeweg in een proces van actie-reactie, woord-wederwoord aan het licht, in het bewustzijn.

Sola Scriptura

Luther heeft het reddende inzicht verworven door te lezen. En tegelijk gezegd dat het de juiste lezing (interpretatie) is die redt. Formeel is daarmee het wezen van de kerk gebonden aan de tekst van de bijbel. Dat wordt dan ook core and kernel van zijn theologie, de basis waarop alles gebouwd moet worden wil het godewelgevallig zijn. De paus, de traditie, de apostolische successie, het kerkelijk recht, de kerkvaders, het komt in de definitie van wat kerk is bij Luther niet meer voor. Niet dat Luther die allemaal zomaar over boord heeft gegooid. Integendeel. Hij kan het waarderen, maar enkel voorzover het overeenstemt met wat hij in de bijbel hoort. Indien niet, dan moet de kerk zich aanpassen, niet de bijbel. Niet de kerk staat boven de Schrift, maar de Schrift boven de kerk, is dan de formulering. De bijbel wordt de toetssteen van alles, de norma normans, bron en norm tegelijk, en de bijbel alleen. Die kan dat op eigen houtje volgens Luther, die heeft geen ‘helpende kerk’ nodig met haar leergezag. Sola scriptura geldt voor Luther dus niet alleen als het gaat om de ervaring dat God je redt (het heilswoord), maar wordt het theologisch principe tout court. Helemaal uitgekristalliseerd is dit principe pas in de discussie met professor Eck tijdens een openbaar debat aan de universiteit van Leipzig in 1519. In de daaropvolgende confrontatie met het kerkelijke leergezag, die hem als ketter veroordeelt (1520), brengt hij dit principe steeds nadrukkelijker en duidelijker naar voren.

Lees verder in mijn mijn online-boek.