Luther en de muziek


Repetitieopname van Vox Luminis – CD Martin Luther en de muziek, 2016/2017, Outhere music. Eerst de pinksterhymne Veni Sancte Spiritus (Thomas Selle) en dan 2:05 muziek van Caspar Othmayer.

De muziek pulseert op de tactus, het licht stroomt naar binnen, en je hoort dat veel Lutherse componisten in de leer zijn geweest in Italië (m.n. Venetië: Gabrieli en Monteverdi). De Duitse 17de eeuwse kerkmuziek was m.a.w. een fysieke ervaring, sensueel in de letterlijke betekenis van het woord (gericht op de zintuigen en zo op het gemoed). Een uitgebreide bespreking van deze CD vindt u op een aparte pagina

Waar muziek beoefend wordt, heeft de duivel geen kans…

luther en de muziekLuther was een door en door muzikaal mens. Het evangelie moest je “singen und sagen” (in die volgorde). En dan heeft hij niet alleen over de gezongen lezing in de mis. Het ging om veel meer. Muziek raakt het hart en gaat dus dieper, heeft een grotere impact op de mens, dan het gesproken woord alleen. En als het evangelie het hart niet raakt en de hoorder ‘blij maakt’, maar blijft steken in het hoofd, – Luther is radicaal – dan is het het evangelie (=blijde tijding) niet. Hij spreekt hier uit ervaring. Hijzelf is door de boodschap aangaande Jezus Messias tot in zijn ziel geraakt. Hij weet ook wat het is als die boodschap niet doorkomt. Het best, het meest effectief, het meest ‘performant’ is de blijde boodschap als ze door de muziek tot in het hart gebracht wordt. De muzikale vertolking ervan en niet in het minst in polyfone zettingen, kon hem raken, ontroeren. Josquin des Prez (ca 1455 – 1521) was Luthers favoriete componist. Zelfs zocht hij in 1530 contact met Ludwig Senfl (meer hierover: zie onder). Leve de Vlaamse polyfonisten dus!  Muziek heeft hem bij menige aanval van melancholie er weer bovenop geholpen. Luisteren, èn zelf ook muziek maken, dus. Hij zong tenor en speelde luit.

Voor de eredienst bewerkte hij samen met zijn vriend en cantor, Johann Walter, het gregoriaans zodanig dat je ook in het Duits de hele mis kon zingen (kerktoonsoorten ‘verduitst’; Missa ganz Deutsch). Verder maakte hij van oud-kerkelijke Latijnse hymnen (Veni redemptor gentium, Veni creator Spiritus etc.) strofisch zingbare Duitse gezangen en vertolkte de bekendste bijbelse Psalmen in nieuwe Duitse liederen (bijv. Aus tiefer Not (Ps. 130), Ein feste Burg (ps. 46). Ook was het ordinarium van de mis in het Duits ter beschikking: Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus, al dan niet in strofische vorm. NB. Hier bouwt Luther voort op het werk van anderen. Het Gloria: Allein Gott in der Höh’ sei Ehr is bijv. van Nikolaus Decius dateert al van 1522 (Luther’s eerste liederen zijn vroegstens 1523). De cantor en het koor mochten blijven, sterker nog: moesten blijven. Zij dragen de structuur van de mis, waaraan het volk natuurlijk participeert. Graag zelfs, maar ‘massa-zang’ is niet de enige vorm van participatie. Trouwens: de mis mocht ook best af en toe – of deels tweetalig, of afwisselend – in het Latijn. No problem. Dit was overigens ook nog zo in Bach’s tijd!

De revolutie boven al zijn echter zijn ‘vrije liederen’: gezangen, koralen: biddend (Vater unser) , verkondigend (Nun freut euch lieben christen g’mein) verhalend (Vom Himmel hoch da komm ich her – kerstlied). Min of meer per ongeluk is hij daaraan begonnen, toen hij hoorde van de executie van twee Augustijner broeders in Brussel in 1523. Hij pakte toen de luit en zong zijn droefenis eruit middels een ballade: Ein neues Lied wir heben an. Luther als amateur ‘Meistersinger van Wittenberg’. Een Phonascus noemde men zo’n muzikant toen. Tekst en liedmelodie komen quasi tegelijk.

De publicatie van de eerste acht gezangen in een bundeltje (Etlich christlich Lieder) was het begin van een ongekende productie: de geboorte van het kerkelijke liedboek, waarvan overigens de oorspronkelijke bedoeling niet in eerste instantie kerkelijk-liturgisch was, maar catechetisch. Dat staat in de eerste edities zelfs vaak met zoveel woorden op de titlepagina, en bijna altijd in de diverse voorwoorden (vaak van Luthers eigen hand). Luthers liedboek is dus eerst bedoeld geweest ‘voor huis en school’ en wordt pas later ook ‘voor de kerk’. Bij Bach haal je de muzikale oogst binnen. Tot vandaag leeft deze traditie in de kerken. Luther zag dat trouwens oecumenisch, d.w.z. zijn teksten waren verankerd in de christelijke traditie van alle tijden en de muziek mocht uit alle hoeken en gaten komen als ze maar goed was. 

In volle kerkelijke crisis (1530 – Rijksdag van Augsburg) correspondeerde hij bijv. in het geheim met de componist Ludwig Senfl (Bayern, ‘paaps bolwerk’) en vroeg om een compositie om zijn angstig hart tot rust te kunnen brengen. Hij voegde de melodie bij die hij als monnik al zo mooi had gevonden (Avondgebed uit het psalmboek: In pace in idipsum) en ontving misschien niet per kerende post, maar via enkele humanistische sympathisanten in München (waarschijnlijk Bartholomeus Schrenck) de gevraagde compositie en een motet op zijn lijfspreuk: non moriar sed vivam. Deze polyfone compositie is overgeleverd. Een motet van Senfl op de antifoon In pace in idipsum is niet bewaard, d.w.z. er is een anonieme versie die ‘misschien’ van Senfl zou kunnen zijn, maar binnen zo’n ‘goed verhaal’ is de wens al snel de vader van de gedachte.

Natuurlijk heeft hij de muziek ook gepromoot. Het mooist in verschillende voorwoorden bij gezangboeken, vooral de ‘kunstzinnige’, d.w.z. waar de liederen gezet zijn voor meerdere stemmen. Het meest virtuoos doet hij het in zijn

„Vorrede auf alle gute Gesangbücher”

In dit voorwoord voor alle goede liedboeken schreef Luther een gedicht met de titel: Frau Musika. Het verscheen voor het eerst in een uitgave van zijn vriend (cantor en medewerker) Johann Walter, Lob und Preis der löblichen Kunst Musica (1538, Wittenberg). Luther’s passie voor muziek spat eraf. Zelf speelde hij luit, zong tenor en hield ervan om polyfone muziek te zingen, zo reeds in het klooster, maar ook later ‘über ‘m Tisch’, spontaan met elkaar. Waar muziek beoefend wordt, heeft de duivel geen schijn van kansDat is ook de moraal van dit voorwoord. Dat samen musiceren aan tafel, is jammer genoeg voorwerp van veel legendevorming geworden, zodat hierover ook weer heel veel onjuiste beeldvorming is ontstaan (fout = Luther als ‘luitspelende liedjesbegeleider’ zoals een gitaarspelende jeugdleider; goed = Luther die meerstemmig zowel werelds als geestelijk repertoire zingt, eerder met blokfluit dan luit. En indien al luit, dan een ‘intavolatie’)

Frau Musika

Vor allen Freuden auf Erden
Kann niemand keine feiner werden,
Denn die ich geb mit meinem Singen
Und mit manchem süßen Klingen.
Hier kann nicht sein ein böser Mut,
Wo da singen Gesellen gut,
Hier bleibt kein Zorn, Zank, Haß noch Neid,
Weichen muß alles Herzeleid;
Geiz, Sorg und was sonst hart an Leid,
Fährt hin mit aller Traurigkeit.
Auch ist ein jeder des wohl frei,
Daß solche Freud kein Sünde sei,
Sondern auch Gott viel bass gefällt
Denn alle Freud der ganzen Welt.
Dem Teufel sie sein Werk zerstört
Und verhindert viel böser Mörd.
Das zeugt Davids, des Königs Tat,
Der dem Saul oft gewehret hat
Mit gutem, süßem Harfenspiel,
Daß er in großen Mord nicht fiel.
Zum göttlichen Wort und Wahrheit
Macht sie das Herz still und bereit.
Solchs hat Elisäus bekannt,
Da er den Geist durchs Harfen fand.
Die beste Zeit im Jahr ist mein,
Da singen alle Vögelein,
Himmel und Erden ist der voll,
Viel gut Gesang da lautet wohl.
Voran die liebe Nachtigall
Macht alles fröhlich überall
Mit ihrem lieblichen Gesang,
Des muß sie haben immer Dank,
Viel mehr der liebe Herregott,
Der sie also geschaffen hat,
Zu sein die rechte Sängerin,
Der Musik eine Meisterin.
Dem singt und springt sie Tag und Nacht,
Seines Lobs sie nichts müde macht,
Den ehrt und lobt auch mein Gesang
Und sagt ihm einen ewigen Dank.

Of kijk eens naar deze korte impressie vanuit Dresden met fragmenten van Heinrich Schütz, Michael Praetorius, en Melchior Franck: