Luther over gebruik en nut van muziek…

Zoals al vaker aangehaald op deze website heeft Luther sterk geïnvesteerd in muziek en wel met name in de creatie van goede liederen (met ditto muzieknoten). Hij zelf zette zich aan de arbeid maar spoorde ook medewerkers en vrienden aan om hun literair talent uit te proberen. Er is een brief van Luther aan Georg Spalatin (geleerde humanist, vriend en raadsman van de keurvorst) waarin hij hem vraagt mee te helpen met dit scheppingsproces. In deze brief onthult Luther dat ‘het plan bestaat om naar het voorbeeld van de profeten en de eerste kerkvaders de psalmen in de taal van het volk te schrijven… Wij zoeken daarom alom naar dichters… Zelf heeft hij – zo meldt hij de psalm ‘De profundis’ al vertaald (= Aus tiefer Not, eerste versie).

Al snel circuleerde er een eerste oogst, acht liederen, verschenen in 1524 in Wittenberg: ‘Etlich christliche Lieder’ met prominent vooraan Luthers eerste geestelijke ballade (geen psalm dus!): Nun freut euch lieben christen’ gemein… Daarin zijn vervolgens leerstellige en wat moeizame teksten van Paul Speratus te vinden. Ze worden afgedrukt met een uitgebreide bijbelse toelichting: Catechese en Bewijs van bijbelgetrouwheid ineen.

Luthers eerste drie psalmberijmingen staan er ook in, achter elkaar en bedoeld om op eenzelfde wijs te zingen, namelijk die van Es ist das Heil uns kommen her, afgedrukt boven de tekst van Luthers berijming van psalm 12, Ach Gott von Himmel sieh’ darein ( hier genummerd en aangeduid volgens de Vulgata: 11 – Salvum me fac). De andere twee zijn psalm 14 (Es spricht der unweisen Mund, Vulgata: 13 – Dixit insipiens) en psalm 130 (Aus tiefer Not , onbgenummerd, enkel aangeduid met de Latijnse beginregel : De profundis). Ook deze laatste zonder melodie en dus ooit/eerst gezongen op de melodie van Es ist das Heil uns kommen her). Dit is nog een wat ‘rommelige uitgave’. Hier kunt u het doorbladeren.

Het eerste officiële Lutherse liedboekje (met voorwoord van Luther zelf, dus geautoriseerd) verschijnt in Erfurt: Ein Enchiridion oder Handbuchlein (Erfurt, 1524) in twee bijna gelijke edities: Het marktprincipe (Er is een nieuw veelbelovend marktsegment aangeboord) schijnt daarbij een rol te hebben gespeeld. De inhoud van dit boekje bevat een verrassend rijke oogst voor een zo korte ontstaansperiode en ook een rijke schat aan melodieën. De verhuis van cantor Johann Walter van Torgau naar Wittenberg zal hier wel voor iets tussenzitten. Het merendeel van Luthers evergreens zijn hier al te vinden (hieronder een afbeelding van de titelpagina). Naast oude Latijnse hymnen en sequenzen, vooral veel psalmberijmingen en vrije liederen met catechetische inhoud. [hier kunt u het geheel (48 paginas) doorbladeren]. Bijna onmiddellijk nadien is er ook al een polyfone zetting van deze liederen (+ nog meer) te vinden in Walters Geistliches Gesangbüchlein, met 4- en 5-stemmige zettingen. [Hier kunt u het begin van het tenorboekje doorbladeren]. Het is duidelijk dat het project op stoom is gekomen: De muziek gaat men in de kringen rond Luther volop gebruiken om de hervonden bijbelse heilsboodschap ingang te doen vinden in de hoofden èn harten van de mensen: Al zingend de wereld doordringen van nieuwe gedachten.

De doelgroep is ook duidelijk: Naast iedereen die gïnteresseerd is in de materie wordt vooral de jeugd geviseerd. De sterk catechetische toon van de eerste Lutherse productie versterkt dit gevoel. Op de titelpagina van het Enchiridion worden ze onderaan expliciet vermeld, de ‘jonge jeugd’. Het is natuurlijk een verkoopsargument, maar toch, lees maar mee: ‘Mit dysen und der gleichen Gesenge soltt man byllich die yungen yugendt aufferzihen’ : Deze en soortgelijke gezangen kun je gebruiken om de jonge jeugd op een goede manier op te voeden.

Titelpagina van het Erfurter Enchiridion (1524)

 

De polyfone zettingen van Johann Walter (zie onder) zijn volgens Luther zelfs expliciet bedoeld voor de jongelui. Een citaat uit het voorwoord van Walters Geistliches Gesangbüchlein (1524/1525) – dat later vaak is herdrukt:

Tweede pagina van het voorwoord van Luther

 

zij [= de liederen in deze bundel] zijn vierstemmig getoonzet met geen andere reden dan dat ik graag zou zien dat de jeugd, die toch behoorlijk zal moeten worden opgevoed in de Muziek en de andere goede kunsten (NB: Muziek was een schoolvak en één van de ‘artes liberales’, DW) iets zou hebben waarmee zij de wulpse liederen en de wereldse gezangen zou loslaten en in plaats daarvan iets heilzaams zou leren, zodat ze het goede zich zou eigenmaken terwijl ze er tegelijk plezier aan beleeft, zoals dat hoort als je met jongeren van doen hebt.”

Dit zijn geen originele gedachten van Luther (zoals in diverse publicaties nog al eens te lezen is, terwijl men Luther de hemel in prijst), maar ‘common place’ (gemeenplaatsen) sinds de tijden van Chrysostomus en Origenes en die gaan weer terug op …. Plato. De kerk heeft altijd een haat-liefde verhouding gehad met muziek, en vooral heeft ze veel moeite gehad met instrumentale muziek. Muziek hoorde bij het heidense leven, m.n. bij het theater. Heel mooi is de spanning verwoord door Augustinus als hij vertelt over de eerste keer dat hij Ambrosius hoorde zingen. Maar precies dezelfde redeneringen vind je ook bij Calvijn.

Juist daarom is trouwens dit voorwoord van Luther zo sterk. Hij neemt namelijk ook in die debatten meteen positie in, èn hoe ! Lees maar even verder:

Ook ben ik niet van mening dat door het Evangelie alle kunsten tot de grond toe moeten worden afgebroken en vergaan zoals sommige ‘over-geestelijke’ mensen verkondigen. Ik wil alle kunsten, in het bijzonder de muziek, graag zien in de dienst van Hem die ze gegeven en geschapen heeft. 

Luther is één van de weinige theologen die ook het lichaam als scheppingswonder Gods serieus genomen heeft en ‘bejaht’ (zoals de Duitsers zo mooi kunnen zeggen). Hij genoot dus van eten, drinken, seks en muziek, om maar eens een paar fysieke geneugten te noemen. Hij vond het daarvan kunnen genieten evenzeer tot de  christelijke moraal behoren, dan goed gedrag en zeden. Hoe geestelijker een mens zich gedroeg, hoe meer Luther geneigd was op z’n hoede te zijn. Ook de hele ‘avondmaalsstrijd’ en Luthers afkeer van een rein-symbolische opvatting (Zwingli c.s.) past in dit psycho-theologisch profiel, maar dit geheel terzijde.