Luther: zijn leven, zijn werk (Sabine Hiebsch e.a.)

Luther: zijn leven, zijn werk. Sabine Hiebsch, Martin van Wijngaarden (red.). Kok-Kampen, 2017. 296 blz. ISBN 9789043528054. € 34,99

Ter gelegenheid van het herdenkingsjaar 2017 verscheen een herdruk (de facto: de 3de druk) van dit naslagwerk uit 2007. Voor de herdruk werd m.n. de literatuurlijst geüpdated en het register uitgebreid. Voor de hoofdtekst kon volstaan worden met enkele aanpassingen, aldus de hoofdredacteur en schrijver van de ‘doorlopende tekst’, Sabine Hiebsch. Het geheel geeft een beeld van de stand van het (academisch) onderzoek naar Luther, m.n. vanuit het perspectief van Nederlandse onderzoekers, aangevuld met één Vlaming (Jos Vercruysse s.j. † 2017) en enkele Duitse auteurs (Hans-Martin Kirn, Ulrich Köpf en Andreas Wöhle). De Nederlandse bijdragen zijn geschreven door Dick Akerboom, Wim Balke, Joop Boendermaker, Christoph Burger, Sabine Hiebsch, Sonny Hof, Martijn Schrama, Eelco van der Veer, Teun Verduyn, en Martin van Wijngaarden.

In 28 thematische casestudies (excursen, meestal beperkt tot enkele bladzijden) stellen zij fundamentele aspecten uit het leven, werk, en theologie van Luther aan de orde. Deze worden netjes opgelijst in de inhoudsopgave. Het ene excurs is al stimulerender dan het ander. Ik las in elk geval met plezier over Luther als bedelmonnik, zijn relatie met Bernardus van Clairvaux, zijn hermeneutiek (waarin de Figuraldeutung als verbindend principe naar voren wordt gehaald), over Katharina van Bora (warm aanbevolen, zeker samengelezen met de lopende tekst over Luther als echtgenoot en vader), Luthers ziektegeschiedenis, en de samenwerking met Cranach. Maar er zijn er dus nog veel meer. Tegenvallend was het excurs over Erasmus, waar nog zinnen in voorkomen als ‘Het is niet Erasmus, maar Luther die is doorgedrongen in het hart van het evangelie’. Dag mag de auteur (Wim Balke) vinden, maar zulke waardeoordelen misstaan in een boek als dit. Een objectievere weergave is te vinden in het excurs van Dick Akerboom over de onvrijheid van het menselijk willen, die laat zien wat de interne logica is van beide standpunten en waar ‘het breekpunt’ zit. De stukken over Luther als lieddichter en liturgiehervormer zijn degelijk, maar vergeten te vermelden dat Luther voor zijn vrije liederen toch eerst heeft gedacht aan een niet-liturgisch gebruik. Zij zijn gericht op de jeugd van de kerk en hebben een sterk onderwijzend, catechetisch doel. Dit aspect kenmerkt ook nog zijn latere ‘catechismus-liederen’, zoals Christ unser Herr zum Jordan kam, en zelfs zijn berijming van het gebed des heren, het Vater Unser: het is catechese in liedvorm.

De excursen/case-studies zijn ingevoegd in de lopende tekst wat tot enige verwarring kan leiden, zeker als er meerdere excursen vlak na elkaar volgen (Waar gaat de gewone tekst nu verder?). De lopende tekst van Sabine Hiebsch behandelt in principe op chronologische wijze het leven en werk van Luther, maar hierbij gaan historische beschrijving en theologische duiding hand in hand. Zo draagt het hoofdstuk over de jaren 1521-1525 bijvoorbeeld als titel Sola Scriptura. Doubletten met de excursen zijn hierbij natuurlijk niet te vermijden. Hoofdstuk 7 (Luther en het kerkelijk leven) bestaat eigenlijk vooral uit thematische overzichten.

Een opvallend aspect van het boek zijn de illustraties. Die illustreren vooreerst de tekst, maar omdat er bewust gekozen is – indien voorhanden – voor Nederlands materiaal, geeft het boek ook een overzicht van de Lutherperceptie (persoon, werk, lotgevallen, denkbeelden) in Nederland. In een apart hoofdstuk legt Martin van Wijngaarden verantwoording af van de selectie die hij gemaakt heeft en geeft ook een aanzet tot duiding en typering van dit stuk ‘religieus erfgoed’.

Uitgebreide registers (zaken, personen, landen- en plaatsnamen) en bronvermeldingen, completeren dit toegankelijke en tegelijk degelijke werk.

Dick Wursten

Luther in context

De persoon (en het optreden) van Martin Luther heeft in de 16de eeuw gewerkt als een katalisator voor menselijk ‘ongenoegen’ van allerlei aard. De energie die daardoor loskwam had onder andere tot gevolg dat de Kerk scheurde en de samenleving grondig werd ontwricht. Dat was zijn bedoeling niet en kon hij ook niet voorzien. ‘God verhoede’, zou hij in 1517 gezegd hebben als hij het geweten had. Natuurlijk wil je hier graat iets uit leren, maar hoe doe je dat ? Het was een andere tijd, andere discussies, andere pijnpunten. Ik denk dat je om te beginnen de omstandigheden van toen erbij moet plaatsen om de processen die onderhuids gaande waren op het spoor te komen. Die menselijke processen zijn wel vergelijkbaar met vandaag, want ‘de mens’ verandert niet zo snel. Geen tekst/gebeurtenis/mens zonder context… Toen niet, vandaag ook niet. Vandaar dus deze poging om Luther een beetje ‘te plaatsen’: Luther in context.



Vooraf: korte schets van de katalyserende gebeurtenissen

Op 31 oktober 1517 publiceerde de Augustijner monnik Martin Luther zijn 95 stellingen met betrekking tot de aflaat. In 1520 werd hij door de paus geëxcommuniceerd en in 1521 volgde de voltrekking van de ban door keizer Karel V: vogelvrij in de Duitse landen, dood voor de Moederkerk. Hij had een vrijgeleide gekregen en in tegenstelling tot wat Johannes Hus een eeuw eerder overkomen was (met vrijgeleid toch opgepakt en verbrand), hield de keizer deze keer wel zijn woord, en geraakte Luther ook effectief weg na zijn veroordeling. De ban was echter wel degelijk een ter dood veroordeling en die gold ook by proxy. Iedere vorst uit het heilige Roomse Rijk was verplicht hem te arresteren en te executeren. Luther overleeft omdat ‘zijn’ wereldlijke overste, Frederik de Wijze, keurvorst van Sachsen, dat vonnis naast zich neerlegde. Waarom precies, is nog steeds niet helder. Frederik was niet tegen de aflaten, integendeel: Wittenberg waar hij zijn keurvorstelijk paleis had, en waar Luther professor was, draaide voor een groot deel op de inkomsten van pelgrims die de gigantische reliekenverzameling van Frederik kwamen bezoeken in de ‘slotkerk’. Hij stelde die daar op kerkelijke hoogdagen tentoon (bijv. op Allerheiligen!): volle aflaten te verkrijgen! Het is een van die ironische trekken van de geschiedenis dat de leerstoel van professor dr. Martin Luther dus gefinancierd is met inkomsten uit aflaten. Had deze Frederik paus en keizer gehoorzaamd, dan zou de zaak Luther in 1520, uiterlijk 1521 al geëindigd zijn. Luther zou naar Rome zijn afgevoerd, veroordeeld, en verbrand.

Nu bleef Luther leven en kon dus ook blijven inspireren. Ookal gingen vanaf 1520 zijn geschriften in vlammen op in bijv. Leuven, Antwerpen, en Gent, en werden de bezitters ervan streng verhoord, vermaand, gefolterd tot men de ketterij afzwoer (wat de meesten uiteindelijk deden). Ja,  ookal stierven zelfs twee van zijn ordebroeders in 1523 in Brussel op de Grote Markt op de brandstapel, de beweging die Luther had ontketend was niet meer te stuiten. Even later kwamen grote groepen Duitse boeren in opstand tegen hun landheren, plunderden kloosters en vernielden beelden. Zij eisten niet alleen theologische of liturgische hervormingen, maar ook sociale. Ook zij beriepen zich op de Bijbel en werden gesteund door enkele van Luthers naaste medewerkers. Luther was echter onvermurwbaar. Anarchie is ongeveer het ergste wat een samenleving kan overkomen en dus moest volgens hem de opstand worden neergeslagen. Wat gebeurde, met de nodige overdaad aan geweld. Nog weer enkele jaren later werd het koninkrijk Gods uitgeroepen in Münster, een ongezien anarchistisch exploot, dat afgrijzen opwekte bij alle overheden of ze nu voor of tegen Luther waren. Luther koos na een revolutionair begin dus resoluut de zijde van de gevestigde machten. De rust keerde echter niet weer: Noch de kerkelijke, noch de wereldlijke machthebbers kregen de stroom van bewegingen die vanuit de Lutherbeweging (de verdubbelde terminologie is bewust, omdat die het meest rechtdoet aan de ongrijpbaarheid van de dynamiek) onder controle. In 1530 brak het eerste militaire conflict uit toen keizer Karel een aantal Duitse vorsten niet langer met politiek middelen kon dwingen tot gehoorzaamheid in zaken van ‘organisatie van de eredienst’. Nog voor het eind van de regering van Karel V (1555) was het onaantastbaar lijkende weefsel van het corpus christianum in Europa gescheurd en met bloed bevlekt. De Schmalkaldische oorlogen in de Duitse gebieden, een reeks burgeroorlogen in Frankrijk (protestant vs. roomskatholiek, 100.000-en doden en enorme vluchtelingenstromen) waren de volgende etappes in een steeds verder uiteenvallend Europa. In onze contreien brak de onafhankelijkheidsoorlog uit (de 80-jarige oorlog) die uiteindelijk de nog maar pas Verenigde Nederlanden (Bourgondische Kreits) zouden verscheuren en de geboorte zouden inluiden van de Nederlandse Republiek. Bij de uiteindelijke pacificatie (1648) kon men niet anders dan Europa ‘herverkavelen’ langs religieuze scheidslijnen. Deed men het niet, hield de oorlog nooit op. Religie is blijkbaar niet van nature vriendelijk voor andersdenkenden. Ze moet daartoe gedwongen worden. Zonder deze politieke context kun je niet over Luther spreken, want zonder deze context was de Lutherse beweging een stille dood gestorven. Alles hangt dus met alles samen en zeker als godsdienst in het spel is, moeten we oppassen om enkel daarop te focussen. Juist religie is altijd met vele vezels verbonden met het menselijk samenleven (cultuur, maatschappij, politiek) en met de zelfperceptie van de mens (identiteitsbeleving). Binnen deze context krijgen bepaalde ideeën (in dit geval over hoe je religie organiseert) een heel eigen gewicht. De cruciale ideeën zelf zijn eigenlijk die van de humanistische herbronning van het denken en de verwoording en actualisatie hangen dan weer sterk samen met psycho-sociale factoren.  Achtereenvolgens een korte schets van deze drie contexten.

Politieke context

In de 16de eeuw stond het christelijke Europa onder zware druk vanwege de opmars van de Ottomaanse Turken via de Balkan. De slag bij Mohacz, waarbij Hongarije werd veroverd en Lodewijk II (schoonbroer van keizer Karel V) omkwam samen met een hele reeks hooggeplaatste vorsten en prelaten, vond plaats in 1526. Sultan Suleiman werd zo een machtsfactor binnen Europa.

De klassieke machthebbers en rivalen (de Habsburgers Ferdinand I, Karel V aan de ene kant en Frans I van Frankrijk aan de andere kant) moesten hun positie bepalen tegenover deze nieuwe speler in het spel en deden dat me het nodige politieke opportunisme. Vervolgens rukte Suleiman op tot in het hart van het Habsburgse Rijk en sloeg in 1529 het beleg rond Wenen. Zou dat – zo vraag ik – geen enkele invloed hebben gehad op de manier waarop de machtigen der aarde (m.n. Ferdinand van Oostenrijk en Karel V) op de Rijksdag van Speyer in 1526 het verzoek van enkele invloedrijke Duitse vorsten hebben behandeld die ondanks bul en ban Luther bleven steunen. Ze kregen hun zin: “Iedere vorst is vrij om in dezen te handelen zoals hij tegenover God en de keizer kan verantwoorden”, was het besluit. Ferdinand had ze nodig om Suleiman tegen te houden.

Zonder de Turkse invasie geen Protestantse kerk.

En is het feit dat de paus in diezelfde tijd aanstuurde op een liaison met de Franse koning i.p.v. met de Habsburgse keizer en daarvoor door Karel V afgestraft met een ‘sacco di Roma’ (uitgevoerd door Duitse soldaten o.a. uit Lutherse gezinde ‘Länder’, 1527) niet veelzeggend ? Enfin: de vrede tussen paus en keizer werd hersteld en in 1529 kwam een nieuwe Rijksdag bijeen. Is het toeval dat de keizer nu vond dat de Duitse vorsten zich toch naar bul en ban moesten plooien ? Hij wilde de toegeving die hij in 1526 gedaan had, herroepen. Het is hiertegen dat de vijf Luther-getrouwe vorsten, samen met veertien rijkssteden een officieel bezwaarschrift indienden, een ‘Protestation’. Deze Duitse vorsten waren van mening dat je verkregen rechten niet zomaar kon opheffen. Vandaar dat men later als verzamelterm de naam ‘protestanten’ gaat gebruiken om deze vorsten aan te duiden, en pas later ook degenen die de religie van die vorsten belijden. Kennis van de politieke context lijkt me essentieel, al was het alleen maar om zich rekenschap te geven dat het belang van religieuze kwesties nog al eens kan verschillen, voor degenen die de wereldlijke macht hebben, afhankelijk van wat er verder zoal in de wereld gebeurt.

nog iets meer achtergrond
De ineenstorting van het Oost-Romeinse rijk (val van Constantinopel in 1453) had niet alleen tot een instroom van vluchtelingen geleid (die bijv. de kennis van het Grieks in het Latijnse Westen een enorme boost gaf), maar was ook het begin geweest van de opmars van de Ottomaanse Turken (incl. hun godsdienst: de islam) over de Balkan tot in het hart van het toenmalige Europa. De protestantse slogan: ‘liever Turks dan Paaps’ was geen woordspelletje. Frankrijk ging zover dat ze een bondgenootschap met Suleiman sloot tegen het Habsburgse Rijk. Het kwam Frans I dus prima uit dat deze de druk op de oostgrens opvoerde en in 1529 Wenen belegerde. De Habsburgers waren zijn rivalen. Hoofdpunt op de agenda van de Rijksdagen te Speyer (Spiers) was het vormen of behouden van een alliantie tegen de Turkse invasie. De Duitse vorsten claimden dat het mogelijk was trouw aan de keizer te blijven terwijl men in zaken van de organisatie van de eredienst eigen wegen insloeg. In 1526 kregen ze hun zin, in 1529 dreigde dat herroepen te worden en tekenden ze daartegen bezwaar aan en beriepen zich op een procedurefout. Ze vroegen uitstel van de beslissing tot een volgende Rijksdag, die dan tevens als het lang verwachte ‘concilie’ zou kunnen functioneren. Het principe van ‘cuius regio, illius religio’ wordt hier beproefd. Het was echter nog te vroeg in de geschiedenis. Pas in 1555 zal Karel zich neerleggen bij dit gegeven, teleurgesteld dat het hem niet gelukt is om zijn onderdanen te verplichten ‘één God, één kerk, één keizer’  te aanvraagden.

Humanistische context

Van betekenis is zeker ook de humanistische belangstelling voor de oudheid (Renaissance), waarop de hervormingsbeweging is geënt, of waarvan zij een scheut is naargelang hoe men de relatie ziet. Ad fontes was de leuze, terug naar de bron. Alleen moeten we op dit punt wel iets preciezer zijn. Het is niet zo dat men voordien de bronnen niet kende. Men las de Bijbel wel degelijk, en men kende de belangrijkste klassieke teksten (de Griekse in Latijnse vertalingen). In de commentaren en teksten van de kerkvaders zat ook impliciet de hele Grieks-Romeinse cultuur in. Plato en (later) Aristoteles zijn met andere woorden niet pas tijdens de Renaissance ontdekt. Ze vormden altijd al de basis van het algemene curriculum van de middeleeuwse universiteiten. De interesse voor de klassieke oudheid in de 15de en 16de eeuw onderscheidt zich van de middeleeuwse doordat men de oude teksten niet enkel als materiaal voor studie, verhandelingen en preken aanwendt, d.w.z. binnen het eigen ‘framework’, als ancillae theologiae, maar ze ook een eigen relevantie en zeggingskracht toedicht. De lezing van de oude teksten is nu levensbeschouwelijk, literair, juridisch, wetenschappelijk, medisch en filosofisch van direct belang. Zo probeert Ficino de Academie van Plato in Florence te emuleren en zelfs het beroemde Symposium over te doen. Tevens is het corpus teksten enorm vergroot doordat nu ook Griekse bronnen zelf binnen het bereik kwamen via handschriften die vluchtelingen uit Constantinopel (1453 gevallen) meenamen. Er werden nieuwe vertalingen (in het Latijn wel te verstaan) gemaakt van bekende en onbekende teksten, vaak door bekwame Graecisten, eerst in Italië, maar aan het begin van de 16de eeuw ook in Noord-West Europa. Ook Erasmus’ ophefmakende editie van het Nieuwe Testament in 1516 in Leuven gaat vergezeld van een Latijnse vertaling; Novum instrumentum heet die publicatie dan ook.

Eerste editie in 1516. De Latijnse vertaling is ook zelfstandig gemaakt, dus los van de Vulgaat. Zo wordt het Griekse woord ‘meta-noeite’ (in de Vulgaat : agite penitentiam) door Erasmus in 1519 vertaald met re-sipiscite (wordt weer wijs). Geen verwijzing naar penitentie of boetedoening.

Ook komt er belangstelling voor het Hebreeuws, in eerste instantie voor de bijbeltekst, maar sporadisch ook voor de Joodse uitlegging ervan. Dit alles leidde ongemerkt tot een nieuwe kijk op dezelfde dingen, op het heilige boek (dat nu veel filologischer en dus tegelijk ook met meer literaire middelen, incl. belangstelling voor de historische context werd geïnterpreteerd), op het maatschappelijk en kerkelijke leven, en een andere vorm van zelfperceptie, die je proto-wetenschappelijk zou kunnen noemen. Proto­-wetenschappelijk, want men deed geen research volgens strikte wetenschapsfilosofische criteria en methodes zoals wij die nu kennen (op papier althans). Neen, men las de teksten en sommigen raakten gefascineerd door wat er stond, en lieten zich meenemen in de gedachtegangen van de auteurs van toen. Dit gold op precies dezelfde wijze voor heilige teksten (Bijbel, kerkvaders) als voor profane literatuur. Plato, Plotinus, Plautus en Paulus waren object van een eenzelfde nieuwe vorm van nieuwsgierigheid. Proto-wetenschappelijk, omdat de kritische functie die het intellect hierin speelt zich min of meer los van het kerkelijke leergezag ontplooit, niet principieel maar de facto (zo gaat het nu eenmaal als je een goed boek leest, dat ergens over gaat), en meestal ook niet met de intentie dat leergezag of die opvattingen per se te bestrijden, maar eerder ‘per ongeluk’ uitkomend op vaststellingen die botsen met de vigerende leer en die dan ook durven formuleren (en steeds vaker te publiceren).

Leergierigheid is een voorwaarde voor vernieuwing, maar wordt als een bedreiging ervaren door het ‘establishment’.

Ook bij Luther zie je dat veel van zijn inzichten voortkomen uit een fascinatie voor de bronteksten van de kerk, die dankzij de taalkundige ontwikkelingen en nieuwe edities plots weer heel fris klonken en dynamiserend werkten. Dat die dynamiek ook wel eens dynamiet kon worden, had hij eerst zelf ook niet door. Later wel. Ik bedoel maar te zeggen dat hij zijn kritiek op de aflaat in 1517 publiceert als trouwe zoon van de kerk, en ijverig lezer van de bijbel, met als bedoeling een ‘herbronning’ binnen de kerk zodat de boodschap weer duidelijker wordt. Eigenlijk is zijn doel nooit gewijzigd, maar door actie en reactie is de boel ontploft.

De drie Maria’s
Een veelbesproken, maar minder explosief voorbeeld, van de gevolgen die een echte belangstelling voor de originele bronnen van de Bijbel heeft, speelde zich af in hetzelfde jaar dat Luther z’n stellingen publiceerde. In Parijs had de éminence grise van de Franse kerk, cultuur en wetenschap, Jacques Lefèvre d’Etaples – de Franse Erasmus noemt men hem wel – een tekst gepubliceerd waarin hij aantoont dat de persoon van Maria Magdalena zoals die in de kerkelijke leer en moraalprediking voorkomt (prostituée, boetvaardige zondares,  gezellin van Jezus) eigenlijk een compositie is van drie aparte vrouwen, die in de evangeliën voorkomen: Maria van Magdala een trouwe volgelinge van Jezus, een anonieme prostituée die tijdens een maaltijd binnenstorm en Jezus voeten zalft, en Maria van Bethanië, zus van Lazarus en Martha (vrienden van Jezus), die vlak voor Jezus’ dood zijn hoofd zalft met kostbare myrrhe. Legendevorming en eeuwen kerkelijke moraalprediking had van deze drie personen één gemaakt, ze a.h.w. samengesmolten en omgevormd tot een archetypische vrouwenfiguur waarop de kerk en de kunst maar niet uitgekeken raakte: ‘Maria Magdalena’. Toen Lefèvre d’Etaples zijn bevindingen, verworven door een zorgvuldige, filologische en analytische lezing van de evangelieteksten, publiceerde kreeg hij de weldenkende kerk en de hele theologische faculteit over zich heen en had hij even later een proces aan z’n broek. In 1521 werd hij veroordeeld, maar dit bleef zonder gevolg, omdat Marguerite d’Alençon, de zuster van de Franse koning, hem de hand boven het hoofd hield. Iets soortgelijks, maar met een veel dramatischer verloop, was enkele jaren voordien Reuchlin te beurt gevallen, een enthousiaste Hebraïst, die op grond van zijn kennis van het Hebreeuws en de Joodse geschriften, inclusief de kabbala, verdedigde dat de kerk geen Joodse boeken moest verbieden, laat staan verbranden, maar er zelfs gebruik van kon maken te eigener nut. Het kwam hem op veroordelingen van alle theologische universiteiten te staan en leidde tot een inquisitieproces in Rome (1513), dat uiteindelijk met een sisser afliep (1516). Onderwijl was hij wel geruïneerd.

Sociaal-psychologische factoren

Niet onbelangrijk is tenslotte dat ook in de 16de eeuw alle protagonisen en antagonisten doodgewone mensen waren, van vlees en bloed. Dat ze moesten eten, drinken, kinderen krijgen, strijden om te overleven, werken, en sterven, is niet irrelevant voor de theologie. Luthers dispuut is geen spiegelgevecht in de lucht, maar een reëel gebeuren op aarde. De concrete omstandigheden van de mensen beïnvloeden ook altijd hoe een ‘ideologische revolutie’ verloopt. De reeds genoemde boerenopstanden in 1524/1525 (na misoogsten, tegen feodale belastingen, lijfeigenschap) zijn een prachtig voorbeeld van hoe ‘bovenbouw en onderbouw’ elkaars dynamiek versterken. Als God alle mensen gelijk geschapen heeft, hoe kan dan de ene mens ‘lijfeigene’ van een ander zijn? Als heer en knecht ook broeders in de Heer zijn, zou dat dan geen gevolgen voor hun samen-leven en dus voor de ordening van de samenleving hebben? De boerenopstand verantwoordt zich – ook dat is nieuw – middels een drukwerk, een korte opsomming van eisen en kritiekpunten en daarin worden bovengenoemde redenering mee opgenomen. Het geheel is zelfs geformuleerd als een geloofsbelijdenis en de verwijzing naar Bijbelteksten ontbreekt niet. De opstand overstijgt hiermee meteen ook het eigenbelang en het groepsbelang. Het heeft met ‘rechtvaardigheid’ te maken, met dingen die God wel en niet wenst te zien op aarde.

Die verwevenheid van religieuze drang en reële levensomstandigheden is trouwens ook aanwezig bij onze ‘eigen’ beeldenstorm in 1566, maar dan andersom. Wat daar op het eerste gezicht een uitbarsting van religieus fanatisme lijkt te zijn (het vernielen van de beelden en al het ‘heilig vaatwerk’ in kerken en kloosters) heeft een heel sterke sociale achtergrond. De aanstichter van de beeldenstorm in Steenvoorde, de prediker Sebastiaan Matte, is net uit Engeland (het land van zijn ballingschap) teruggekeerd Zijn toehoorders waren wevers, die zwaar te lijden hadden onder de recessie. West-Vlaanderen was toen een van de meest ‘geïndustrialiseerde’ gebieden ter wereld. In 1565 was de oogst mislukt. En dan komt de locale held uit ballingschap terug (we zouden hem nu een extremist of fundamentalist noemen) en houdt een vlammende preek over de schande van de rooms-katholieke kerk en de godslasterlijkheid van de eredienst en de levensstijl van de geestelijken. Hij spreekt theologische woorden, maar raakt psychisch-sociale snaren: Frustratie, afgunst, ressentiment, woede, verontwaardiging etc. Let wel: ik verklaar de religieuze factor niet weg maar geef aan hoe die zich ‘ent op’ reeds aanwezig gevoelens van onrecht en achteruitsteling. Er is een vonk die de lont in het kruitvat doet ontbranden, maar men moet zich niet blindstaren op de vonk, maar ook het kruitvat en de lont meenemen in het onderzoek, en niet te vergeten de aanwezigheid van brandversnellers of -vertragers onderzoeken. Theologische factoren horen m.i. vaak in die laatste categorie thuis.

En in onze context?

Bij de huidige religieuze spanningen in de samenleving is het niet anders. De religieuze verwoording lijkt heel geschikt om hevige gemoedsbewegingen te kanaliseren, zodat er ‘actie’ ontstaat. Ten goed, maar ook ten kwade. Theologie geeft aan menselijke gevoelens ‘taal’ en die taal wordt vervolgens zelf weer een instrument in het gebeuren omdat het de gevoelens die het zegt te benoemen versterkt of verzwakt (rechtvaardigt of afkeurt), dan wel bijstuurt of instrumentaliseert voor andere doeleinden. Alles is mogelijk. Iedereen die een roman als ‘Christus wordt weer gekruisigd’ van Kazantzakis heeft gelezen snapt wat ik hier wil zeggen: persoonlijke, sociale, etnische en psychologische processen krijgen in de ‘re-enactment’ van de kruisiging van Christus allemaal een plaats. Ik zie bij sommige van de IS- zelfmoordterroristen hetzelfde gebeuren. Wat precies wat is en waardoor het veroorzaakt wordt: niemand kan het uiteindelijk nog uit elkaar halen. Maar het is zeker dat de godsdienst hier een rol speelt, al was het maar omdat ze hevige menselijke emoties en conflicten kan laten kataliseren. Dat het van de omstandigheden afhangt of de religieuze exploten dynamiek of dynamiet zijn, is een eerste les uit het 16de eeuwse verhaal.

Politieke constellaties, machtsverhoudingen bepalen voor een groot deel wat er met religie wel en niet gebeurt op het terrein van het menselijk samenleven.

De religieuze protagonisten lijken hier veel belangrijker dan ze in werkelijkheid zijn. Ze spelen veel meer een rol (van marionet tot pion) in de spelletjes die de machthebbers spelen, dan dat ze zelf aan de touwtjes trekken. Dat is de les die ik persoonlijk trek uit het hele gebeuren rond Luther. Hij had dat zelf al snel door, èn plooide zich na een eerste revolutionaire periode als snel naar wat er ‘politiek mogelijk was’. Hij werd zelf een machtspoliticus in disguise en vocht met machtsmiddelen voor de realisatie van dan toch minstens een deel van zijn visioen. De facto zijn theologen (of kerkelijke leiders) dan gewoon machtspolitici die hun beleid verdedigen met redeneringen die niet algemeen menselijk zijn, maar particulier religieus. Hun optreden noemen ze ‘verbindend’, maar werkt vaak scheidend, omdat ze een taal spreken die alleen hun eigen achterban verstaat. Religieuze identiteiten zijn per definitie gebaseerd op onderscheid (“Ik geloof dit, volg deze leer… netzoals mijn geloofsgenoten. De rest van de wereld ziet dat anders, zijn ‘de anderen’). Religie institutionaliseert een wij-zij denken. Gevolg: Men verstaat elkaars ‘discours’ niet en maatschappelijke tweedeling is het gevolg. Het risico op een al dan niet fysiek uitgevochten conflict is reëel. In potentie is het aanwezig in de samenleving. Alertheid is geboden!

Dat men zich in de 16de eeuw hiervan niet of minder bewust was, valt de toen-levenden moeilijk te verwijten. Zij kenden nog geen ‘mens-wetenschappen’ en moesten het doen op grond van intuïtie en ervaringskennis. Dat wij als 21ste eeuwers nog even naïef omgaan met religie, vind ik onvergeeflijk. Zie hiervoor mijn andere blog, die over godsdienstvrijheid gaat. Vrijheid van godsdienst is prima als een individueel menselijk recht, maar werkt onderdrukkend als een religieus instituut ermee gaat lopen (maatschappelijke ruimte opeist voor haar gedragscodes, zonder zich voor de inhoud daarvan te moeten verantwoorden).

In religies spreekt men wel van ‘Openbaring’, maar men zou wat er dan geopenbaard wordt op het terrein van het menselijk (samen-)leven soms beter een ‘Verduistering’ noemen. Dieperliggende processen worden erdoor toegedekt.

Iets soortgelijks valt te zeggen over de blinde vlek voor de socio-psychologische mechanismen die onder alle menselijk gedrag schuil gaan en dus ook godsdienstige gedragingen mede bepalen. In de 16de eeuw doorzagen enkel diegenen het die een zekere wijsheid hadden verworven. Men was niet dom, maar dat religie een terrein is waar menselijke ‘overdrachtsmechanismen’ bijna vrij spel hebben, zou men in de 21ste eeuw toch moeten weten. Binnen geloofsgemeenschappen hoort men dit niet graag. Dat begrijp ik. Dat men binnen de religieuze instituten en opleidingsinstellingen hier nog altijd halfhartig over spreekt, is iets dat mij zorgen baart. Waarom?  Omdat bijv. DAESH (maar ook andere sectarische stromingen in andere religies) hieraan een groot deel van het succes van hun recrutering dankt. Bekijk het psycho-sociale profiel van de Syrië-gangers en de aanslagplegers en u weet genoeg. Vergelijk dat met het profiel van mensen die vatbaar zijn voor goeroes en andere sekteleiders (vooral ‘bekeerlingen’), en u snapt mijn ongerustheid. Die profielen zijn namelijk quasi identiek. In de gevestigde religieuze instituten koestert men een soort van ‘heilige onwetendheid’ op dit terrein. Alles is goed als het zich maar voordoet als vroomheid. De wetenschappelijke attitude (de onderzoekende geest, die Luther deelde met de Humanisten) is het eerste slachtoffer. Dit maakt mensen weerloos, omdat kritisch denken essentieel is om ‘machtshebbers’ als zodanig te kunnen onderkennen, ontmaskeren. Het eerste slachtoffer is altijd ‘Darwins evolutieleer’. De aanvallen daarop mag u zien als kanaries in een koolmijn. De heiligverklaring van onwetendheid heeft echter ook nog een ander slachtoffer. Het ontneemt de ‘gelovigen’ de mogelijkheid om een gezonde gevoelshuishouding te ontwikkelen. In veel religieuze milieus worden emotionele zaken (de fysieke bron van gevoelens) niet ‘genomen voor wat ze zijn’ , maar meteen moreel beladen en via externe regels gestuurd. Hierdoor wordt de mogelijkheid om ermee om te gaan op een gezonde manier gehypothekeerd. Religieuze taal onthult niet, maar dekt toe. Men noemt het wel een ‘Openbaring’, maar in werkelijkheid is het vaak een ‘Verduistering’ van dieperliggende menselijke processen. Liever niet zou ik zeggen.

Dick Wursten


Enkele boeken over de Reformatie en Martin Luther:

Over de Reformatie: Diarmaid MacCulloch, The Reformation: A History (oorspronkelijke titel: Reformation: Europe’s House Divided (Penguin Books, 2003). Ook in het Nederlands vertaald.

Een leesbare biografie die een overzicht en samenvatting van de ‘state of the art/question’ geeft is Scott H. Hendrix, Martin Luther. Visionary Reformer (Yale University Press, 2015), niet vertaald.

Een poging tot psychologische peiling (met alle gevaren vandien) Lyndal Roper, Luther. De biografie (Amsterdam 2016)

Luther en de boekdrukkunst: Andrew Pettegree, Het merk Luther (Antwerpen, 2016)

Oudere studies – makkelijk antiquarisch verkrijgbaar en nog steeds goed leesbaar en in grote lijnen betrouwbaar zijn die van W.J. Kooiman, Luther. Zijn weg en werk en idem, Luther en de Bijbel

Activiteiten in het Lutherjaar : www.refo2017.bewww.luther2017.be

 

Lyndal Roper, Luther de biografie

Vooraf: zoek het verschil (afgezien van de kleur)

Mijn review zou kunnen worden samengevat als een commentaar op de verandering van de subtitel (dat is het verschil), maar ja, daar hebt u als lezer niet veel aan. Ik ben in elk geval van mening dat de oorspronkelijke werktitel (Luther, een biografie) correcter is dan de definitieve titel, Luther, de biografieTegelijk haast ik mij om toe te voegen dat deze biografie wel een must is voor degenen die echt geïnteresseerd zijn in Luther. Vindingrijk, baanbrekend, diepgravend, origineel, te denken gevend, dat zijn epitheta die m.i. het best bij dit boek passen. Qua inhoud is de Duitse titel de beste: ‘Der Mensch Luther‘. Het is trouwens wat met al die titels: De Engelse titel is Luther, renegade and prophet. Eerlijk gezegd vind ik dat helemaal naast de kwestie voor dit boek, en verdenk ik de uitgever ervan die te hebben doorgedrukt. Ook daar trouwens twee covers. De eerste erg ‘retro’ (vriendelijk geformuleerd), maar dit terzijde.

Een multi-titel boek, enfin , wel passend voor een man met vele gezichten. Het boek zelf leest als een trein en borstelt een heel concreet, down-to-earth portret van de mens Luther.

De auteur, Lyndal Roper, is een Australische, die filosofie en geschiedenis heeft gestudeerd en wiens academisch parcours haar van Melbourne via Tübingen naar Oxford heeft gebracht (o.a. Balliol college). Ze is nu hoogleraar geschiedenis aan Oriel college in Oxford, de eerste vrouwelijke professor aldaar. Zij combineert degelijk ‘grondwerk’ (lezen van brieven, doorspitten van archieven) met een door prof. Heiko Oberman gescherpte blik om naar het materiaal te kijken: Het belang van de historische en menselijk context: vrienden, ouders, economie, cultuur. Maar ook: fysieke en emotionele ervaringen, ‘verhouding-tot-zichzelf’, relaties, ruzies, zelfbeeld. En ze is niet bang voor rare dingen, d.w.z. ze strijkt niet glad. Kortom: een historicus die de historiciteit van al wat mensen doen en denken serieus neemt, en dat komt onze blik op een man als Luther zonder meer ten goede. Hij is nog steeds een ‘groot man’, charismatisch, maar met donkere kanten, m.n. in zijn vermogen om ‘te haten’ datgene en diegene die niet mee is met wat hij heeft gezien en beleefd als Gods wil.

Het is deze manier van kijken naar de gekende feiten uit Luthers leven die dit boek anders maakt dan andere biografieën, fascinerend bij wijlen, en die zowel de gewone lezer als de wetenschapper naar dit boek zal doen grijpen.

Mw. Roper is er tien jaar mee bezig geweest, zo vertelt ze. Ze heeft met name de briefwisseling van Luther met vrienden, medestanders, en vijanden herlezen, niet zozeer gericht op de theologie of de ideeën daarin, maar vooral op de beleving (en ontwikkeling) die daarin voelbaar wordt. Als ‘ego-documenten’ dus. Tegelijk beheerst ze de theologie. Dit geeft haar psycho-sociologische geschiedschrijving reliëf en diepte. Het gaat in dit boek vooral over gewone en tastbare dingen, zaken die ‘des mensen’ zijn: woonomstandigheden, eten en drinken, financiën, menselijke omgang, vriendschappen, ruzies, diepe aanhankelijkheid en vreugde, teleurstellingen, breuken en vijandschap; angsten ook, obsessies, lichamelijkheid, seks, ziekte en dood. En daarin speelt Luthers heel eigen  ‘Godtalk’ een cruciale rol. Dat is namelijk de manier waarop hij al die dingen benoemt, kadert en probeert een plek te geven. Zijn theologie is niet levensver of wereldvreemd. Heel het leven van Martin Luther passeert op chronologische wijze de revue. Vanaf (hoofdstuk 1) de wereld van de mijnwerkers (koper en zilvermijnen) in Mansfeld waar Hans Luther (eigl. Luder), de vader van Martin, een redelijk geslaagde ondernemer was tot de laatste dagen van Luther, opnieuw in Mansfeld, waar hij doodziek, bemiddelt in een conflict tussen de graven van Mansfeld. Door altijd die context mee op te roepen, creëert Roper een achtergrond voor persoon en werk van Luther. Het krijgt diepte.

Jammer genoeg doet ze dit soms ook verklarenderwijs, dat wil zeggen dat bepaalde jeugdervaringen (m.n. binnen de vader-zoon relatie) als psychologische verklaring gaan dienen voor de sleutelmomenten in Luthers leven, dan haak ik af. Ik heb er geen probleem mee dat mw. Roper bepaalde overgevoeligheden (of on-gevoeligheden) van Luther, of typische gedragspatronen, probeert te kaderen door erop te wijzen wat hij zijn jonge jaren heeft gezien en meegemaakt. Dat werpt vaak een interessant ‘licht op de zaak’. Dan begrijp je het beter. Maar dat is nog iets anders dan die gebeurtenissen via een Freudiaans schema ook als oorzakelijke verklaring (ppsychologisch causatief) van latere handelswijzen en beslissingen naar voren te schuiven. Concreet: De manier waarop met gezag werd omgegaan in Mansfeld en hoe men onderlinge kameraadschap met veel bier beklonk, werpt een interessant licht op hoe Luther ook later met gezag en cameraderie omging. No problem. Om echter het feit dat Luther met zijn vader gebroken heeft terwijl die veel van zijn oudste zoon heeft verwacht (iets wat Luther diep geraakt heeft, zeker) uit te roepen tot het sleutelmoment in Luthers leven, vanwaaruit je vervolgens de rest van zijn leven kunt verklaren, d.w.z. construeren als een voortgezet vader-zoon conflict incl. bijbehorende innerlijke spanningen is toch wel erg kort door de bocht. Dat Luther zijn breuk met de vaderlijke verwachting moest rechtvaardigen en dat hij daar problemen mee heeft gehad, soit, maar dat betekent toch niet dat Luthers breuk met Von Staupitz ook hierdoor verklaard moet worden, en dat zelfs de oorzaak voor de diepe fysieke en geestelijke crisis, waar Luther in 1527 in belandt (hoofdstuk 14 ‘Ineenstorting’) hiermee in verband moet worden gebracht. Een zin als:  ‘Is het toeval dat op de dag dat hij instortte de bijbeltekst voor de preek Lucas 15 was, de gelijkenis van de verloren zoon?’ (p. 322) past eerder in de Libelle dan in een boek van een Oxford-historica. Het is trouwens ‘oude koek’  die mw. Roper hier opdist. U kunt het allemaal, met veel verve gebracht, al lezen in de studie uit 1958 van de psycho-analyticus Erik Erikson: Young Man Luther. Deze ‘psychologie van de koude grond’ komt soms ook tevoorschijn als je het helemaal niet verwacht. Zo schrijft ze opeens dat ‘Karlstadt van nature behoedzaam en plichtsgetrouw’ was (p. 232). Dan denk je: Hoe weet mw. Roper dat nu weer? Uit wat ze beschrijft en de bronnen die ze vermeldt, kan ik dat niet afleiden. Gelukkig is dit soort gepsychologiseer eerder uitzonderlijk en boeit de beschrijving van de gebeurtenissen en de processen die zich in en rond Luther afspelen zozeer dat het niet echt stoort.

Het boek is het meest overtuigend in die passages waar Roper tot in het détail bepaalde gebeurtenissen evoceert. Heel verhelderend is haar verslag en interpretatie van het lange debat in Leipzig met Johannes Eck en de naweeën daarvan (hoofdstuk 6). Ook zijn haat-liefde verhouding met Andreas Karlstadt komt goed uit de verf (hoofdstuk 10 en 11). De aanhankelijkheid aan en de breuk met zijn biechtvader en overste, Von Staupitz, krijgt veel kleur juist omdat Roper moeite doet om ook Von Staupitz als zelfstandige persoon voor het voetlicht te brengen. Theologisch van groot belang lijkt me haar analyse van Luthers omgang met en waardering voor de geschapen werkelijkheid waarin de mens leeft: de fysieke wereld (het lichamelijke leven, genot en pijn). Hier is Luther echt een unicum in de kerkgeschiedenis. Heel trefzeker is Roper als ze laat zien dat ook dit een complex gebeuren is, zoals alles bij Luther. ‘Geest en lichaam’: volgens Luther zijn ze allebei even geschikt èn ongeschikt om Gods wil gestalte te laten geven. Theologisch gezegd: Beiden kunnen ze ‘vlees’ worden en zullen dat ook zijn. Dat wil zeggen: vehikels van de zonde. Maar beide – geest en lichaam ! – zijn ze dus ook door je toe te vertrouwen aan Christus, door het geloof dus, gered en van waarde. Dat wil zeggen: Je moet ze waarderen, want God heeft ze je gegeven. Je moet er je zieleheil niet mee proberen te verdienen (geestelijke oefeningen, lichamelijke verstervingen), maar je kunt je zieleheil er ook echt niet mee verliezen (door seks bijv., de kerkelijke obsessie bij uitstek). De nuchterheid in Luthers omgang met zijn eigen en andermans (en andervrouws) lichamelijkheid, fascineert Roper duidelijk en terecht. Vrouwenstudies is één van haar specialiteiten. Luther neemt hier geen blad voor de mond, met name in zijn ‘Tischreden’ en kan wat de vrouw betreft hier zowel heel positief als bijzonder negatief uit de hoek komen. Duidelijk is in elk geval, dat Luther een mens was, van vlees en bloed, en ook als geestelijk leider vond dat hij op dat punt de mensen moest laten zien hoe het moest. Helder beschrijft ze hoe deze visie (beter: beleving) ook een grote rol speelt in Luthers hardnekkig vasthouden aan de ‘presentie realis’ in het sacrament van het Avondmaal. En ‘realis’ moet en zal bij Luther ook ‘fysisch’ zijn. De oefening die zij doet om de protestantse geestesstromingen op het punt van Avondmaalsleer en seksualiteit (als een ‘bonum’ tussen man en vrouw) op te lijsten, is zeer nuttig en laat sterke banden zien. De ‘geestdrijvers’ , spiritualisten, blijken systematisch ook moeite te hebben met lichamelijkheid tout court en hun visie op huwelijk en seksualiteit is steevast schematischer (en minder origineel) dan die van Luther. Verder wordt ook duidelijk dat Luther na de dramatische en zware periode (ca. 1517-1521, wanneer hij voor de keizer verschijnt) verandert. In de eerst periode hakt hij – in de hoek gedreven – op briljante wijze knoop na knoop door, neemt risico’s, zegt en denkt ongehoorde dingen. Maar eens uitgekomen bij de identificatie van zijn zaak en die van God (‘Hier sta ik, ik kan niet anders. Mijn geweten is in Gods woord gevangen’), verandert Luther. Uit de beschrijving van Roper wordt duidelijk dat hij naarmate hij meer succes heeft (dankzij vele medewerkers trouwens, die Luther zelf bepaald niet allemaal even fair heeft behandeld), eigenlijk als denker minder interessant wordt. De ontdekking van zijn polemische gaven maken het hem mogelijk tegenstand’ te neutraliseren zonder grote intellectuele inspanningen te doen. Verontwaardigd over wat allerlei vrije geesten beginnen te verkondigen, geschrokken van de chaos die dat veroorzaakt, en volledig van de kaart door de opstand die de boeren ontketenen, keert hij eigenlijk op veel van zijn stappen terug en wordt conservatiever dan zijn mede-strijders. NB: niet alleen conservatiever dan Karlstadt, maar ook dan Melanchthon. Die wilde in het begin ook ‘sneller en radicaler’ vooruit dan Luther.

Omdat Luther al snel incontournable blijkt, en zich als een spin in het web nestelt, verandert hij van de charismatische radicaal in de gesettelde charismaticus, die omringd door bewonderaars eigenlijk veel van zijn pluimen verliest, of beter: van wie de uitstraling steeds meer beperkt wordt tot eigen kring. Het huis vol met studenten en gasten, rondom ‘Dr. Martin’ , die zichzelf steeds vaker met Christus (de lijdende en de overwinnende) vereenzelvigt, wordt de plaats waar Luther zijn hevige voor- en afkeuren laat stollen tot posities, die hij – eens ingenomen – niet meer verlaat. Zijn  vermogen om ‘te staan voor dat waarin hij heilig gelooft’ verandert in een vermogen om ‘af te breken wat hem niet bevalt’. Joden, maar ook oude strijdmakkers. Zelfs Melanchthon heeft het af en toe zwaar te verduren gehad. Ropers beschrijving van hoe Luther vanuit de Coburg Melanchthon bestookt (nu eens prijst, dan weer vernedert, etc.) als die op de Rijksdag te Augsburg (1530) de zaak van de Hervorming moet verdedigen, is bij tijden onthutsend en wordt door mw. Roper nauwgezet beschreven aan de hand van het intense briefverkeer dat toen plaatsvond. Naarmate het verhaal van ‘De Reformatie’ vordert, wordt Luther eigenlijk steeds provincialer – een steeds meer ‘Duitser’, iets waarover Prof. Kaufmann zich bijv. verwonderde toen hij dit boek las.

Soms heb ik mijn twijfel bij passages inzake vertaling, maar dat kan zowel aan mw. Roper liggen als aan de vertalers. Dat Karlstadt wel eens ‘aartsdiaken van Allerheiligen’ heet, is in elk geval niet erg helder. Hij was aartsdiaken en proost van het kapittel van de slotkerk van Wittenberg, die gewijd was aan ‘Alle Heiligen’. Uit die fundatie betrok hij dus zijn inkomsten. In het Engels kun je zo’n kerk dan ‘All Saints’ noemen, maar in het Nederlands klinkt dat toch wel vreemd. Verder vermoed ik op p. 245 een misverstand rond de beeldspraak dat ‘satan zich kan voordoen als een engel des lichts’. Ook heb ik zo mijn twijfels of de zin op p. 250: ‘Verbaal ramde Luther er flink op los’ qua taalregister overeenkomt met wat mw. Roper heeft geschreven. En, zo vroeg ik mij af, wat komt de term ‘gekken’ op diezelfde bladzijde doen wanneer het over Karlstadt en de ‘duivelse geesten’ gaat, die Luther gewoonlijk ‘Schwärmer’ noemt. In de eindnoten blijkt af en toe welk een heidens karwei het moet zijn geweest om al die bronvermeldingen en originele citaten in het Nederlands weer te geven. Vooral omdat hier natuurlijk Duitse en Engelse bronnen door elkaar lopen. Soms is wel eens een engels woord blijven staan (noten bij hoofdstuk 10, noot 60: ‘March’ ipv ‘maart’; noot 49 ‘maar’ ipv ‘maart’).

Tenslotte is er nog iets over de afbeeldingen. Daar is soms iets misgegaan vermoed ik. Zo worden er in het slothoofdstuk (hoofdstuk 19, met de prachtige titel ‘De wagenmenner van Israel’) een aantal personen voor het voetlicht gehaald wier levensweg getuigt van de diepe invloed die Luther’s optreden op hen gehad heeft. Albrecht Dürer passeert hier de revue (p. 421v). Roper verwijst naar een schilderij van hem: het Allerheiligenaltaar uit Landau en contrasteert de bescheiden zelfweergave van Dürer op dit schilderij (rechtsonder in de hoek) met het fameuze zelfportret van de jonge Dürer als Christus. Vervolgens bespreekt ze diens ‘vier apostelen’. Beide schilderijen zijn echter niet afgebeeld in het boek terwijl we wel bijna paginagroot een plaat van Cranachs ‘wet en evangelie’ voorgeschoteld krijgen. Verwarrend. Na enig gegoogle ontdekt ik dat de originele editie een kleurenkatern bevat, waarin een reeks reproducties is opgenomen, waaronder in elk geval één van Dürers schilderijen.

Dat alles neemt niet weg, dat dit boek een echte aanrader is voor iemand die Luther eens van nabij wil leren kennen. Aangenaam zal die kennismaking niet per se zijn, maar wel is duidelijk dat Luther niet zomaar iemand was.

Het boek bestaat uit 433 blz. tekst, verdeeld in 19 chronologische hoofdstukken, gevogld door 95 blz. voetnoten (je moet dus vaak bladeren en een ‘lopende tekst’ boven de voetnoten die refereert naar de pagina waar de noten bij horen wordt node gemist), gevolgd door een uitgebreide literatuuropgave en een namenregister.

Dick Wursten

H.J. Selderhuis, Een mens zoekt God

Herman Selderhuis , Luther. Een mens zoekt God, Uitg. De Banier, Apeldoorn 2016. 333 blz. EUR 24,95

Selderhuis’ nieuwe biografie is duidelijk gericht op een breed publiek. Ze is vertellend geschreven, soms zelfs wat badinerend van toon. De indeling is helder. In tien hoofdstukken volgen we Luther van geboorte tot dood. Middels citaten laat de auteur Luther vaak zelf aan het woord. In de voetnoten (de facto ‘eindnoten’) staat dan de bron/vindplaats. Keurig, alleen voor iemand die niet thuis de Weimarer Ausgabe (WA) heeft staan vrij betekenisloos. Zo leest u bijv. een prachtige uitspraak van Luther over het relatieve belang van zijn eigen werk en wilt u die wel eens in z’n context nalezen. het zal tevergeefs zijn, want u moet het doen met WA 8, 637. Tsja. Een uitgebreid register van personen en plaatsen rondt het boek af. Selderhuis is een protestants theoloog en historicus en dus geestverwant van Luther. Dat wordt duidelijk uit de manier waarop hij Luther benadert, nl. met sympathie. Ook is Selderhuis vertrouwd met de reformatorische theologie en terminologie en gebruikt die ook in z’n meer beschrijvende stukken. Hierbij is de auteur er zich niet altijd van bewust dat er de theologische tale kanaäns niet meer algemeen begrepen wordt. Dat men zich kan opwinden over de volgorde ‘heiliging en rechtvaardiging’ zal niet meteen duidelijk zijn voor een niet-ingewijde. Dit hoort immers niet (meer) tot de stock-knowledge van gemiddelde Nederlandstalige lezer. Soms komt het boek hierdoor wat belegen over, wat onterecht en jammer is, want Selderhuis schuwt de afbraak van heilige huisjes niet. Hij zegt de dingen ‘zoals ze zijn’, en dat zelfs tamelijk unverfroren.

Zoals gezegd laat hij Luther veel zelf aan het woord. Dit gebeurt middels citaten uit de bovengenoemde verzamelde werken, waarbij vooral de stukken uit brieven en Tischreden het geheel een levendige kleur geven. De Tischreden gaan terug op notities van kostgangers in Luthers’ huis, waarbij betrouwbaarheid niet altijd gegarandeerd is. Wat in dit alles duidelijk naar voren komt, is Luthers nogal grote zelfbeeld. Hij beschouwde zich als een profeet, een door God geroepene, ja een nieuwe Paulus. Hij poneerde zijn opvattingen en inzichten als stellingen die gelijkvielen met de goddelijke Waarheid. Iedereen die tegen die stellingen inging was de antichrist – dat gold vooral voor de paus, maar niet minder voor zijn strijdmakkers van het eerste uur, die andere keuzes maakten. Thomas Müntzer en Huldrich Zwingli hebben het geweten. Schwärmer zijn het, en daarmee is de discussie voor Luther voorbij. Luther begon in 1517 met academische kritiek en noemde diezelfde kerk drie jaar later al de ‘grote hoer van Babylon’ en de paus systematisch ‘antichrist’. Dat is een snelle radicalisering, we zouden vandaag misschien spreken van ‘extremisering’. De auteur beschrijft het, maar analyseert het niet. Dat vond hij zijn opdracht niet. Hierdoor blijft de lezer met vragen zitten, en heus niet alleen als het over Luthers virulente Jodenhaat gaat. Wat was dat voor mens? Welk psychologisch profiel had hij eigenlijk? (wie hierin geïnteresseerd is, leze Lyndal Roper’s biografie)

Los van dit alles: Selderhuis heeft een toegankelijk boek over Luther geschreven, waarin je door de combinatie van de vele citaten en Selderhuis’ vlotte schrijfstijl soms het gevoel hebt dat je Luther bij bij wijze van spreken bezig ziet en hoort. Hetzelfde geldt voor zijn ‘huishouden’, gerund door zijn vrouw, Katharina von Bora, een zoete inval, maar ook een complexe economische onderneming.

Scott Hendrix, ‘Martin Luther’ (biografie)

Scott H. Hendrix, Martin Luther. Visionary Reformer. Yale University Press 2015. 342 blz. € 27,95. ISBN 9780300166699.

hendrix_LutherWie een betrouwbare gids zoekt in alles wat er gedurende 5 eeuwen over Luther is geschreven, gezegd, en beweerd (en dat is onvoorstelbaar veel, want Luther werd al snel na 1518 larger than life), die neme de biografie van Luther ter hand, geschreven door Scott H. Hendrix, Martin Luther: Visionary Reformer. Dit boek verscheen reeds in 2015 en heeft niet de pretentie ‘een totaal nieuwe visie’ of een ‘baanbrekend nieuw inzicht’ op Luther te verschaffen. Het boek is geboren vanuit de vraag die hem als Princeton professor in de geschiedenis van de Reformatie steeds weer gesteld werd: ‘Professor, kunt u mij een goed boek over Luther aanraden?’ (in het Engels natuurlijk, want de Angelsaksen veronderstellen dat alle belangrijke boeken in hun taal beschikbaar zijn). Omdat dat boek er niet was (er waren wel oudere biografieën; moderne studies waren specialistisch of enkel gericht op één aspect) heeft hij het boek maar zelf geschreven, echter pas na zijn emeritering. Hij is zich volledig bewust van de onmogelijkheid van de opgave, maar heeft de vele valkuilen opgevat als uitdagingen, die hij virtuoos aangaat dan wel handig omzeilt (over de 95 stellingen: “By the end of 1517, two months after they were or were not posted, the Latin theses were printed…”). Hij heeft drie uitgangspunten: 1. Luther was een mens van vlees en bloed, met kwaliteiten en fouten (vaak elkaars keerzijde), geen held, geen schurk. 2. Luther leefde niet in splendid isolation, maar temidden van een plethora aan tijdgenoten zonder wie hij niet zou zijn wie hij is, noch gedaan zou kunnen hebben, wat hij bewerkt heeft. 3. Karakters en gebeurtenissen moeten beschreven worden ‘zoals ze in de zestiende eeuw’ waren, zonder ze – zelfs maar impliciet, in woordkeuze bijv.  – te beoordelen met moderne criteria. Dat lukt natuurlijk nooit, beseft Hendrix, maar je ervan bewust zijn is al iets. Hij laat ook af en toe oordelen doordringen in de tekst, expliciet, maar dan plaatst hij ze altijd naast andermans anders visies op dezelfde zaak. Het boek schetst Luthers leven chronologisch en net als bijna alle andere biografen is 1521 (het jaar dat Luther zijn burgerrechten verloor op de Rijksdag van Worms) het kanteljaar. In het eerste deel wordt het beeld van de Accidental Revolutionary (geliefd in oudere biografieën) bijgesteld. Het bijvoeglijk naamwoord worde met een korreltje zout genomen. Vanaf het begin is er ‘spin’ rond Luther, en Luther is zich daarvan bewust en werkt er – zeker later – ook aan mee. Zowel op het niveau van de gebeurtenissen als van de ideeëngeschiedenis portretteert Hendrix Martin Luther vervolgens vooral als een ‘visionary Reformer’, (de oorspronkelijke ondertitel was iets bescheidener: ‘The man and his vision’)  die na 1521 resoluut de hand aan de ploeg van de reformatie van de kerk in hart en leden slaat. Krachtdadig neemt hij de alle kanten opschietende hervormingsbewegingen (meervoud) zelf in regie en ontpopt zich tot een kerkelijk leider met een uitgesproken en duidelijke visie. Hij heeft de antwoorden gevonden op de vragen die hem kwelden en werkt ze met dezelfde intellectuele kracht waarmee hij ze ooit gesteld heeft uit tot standpunten, die hij – eens ingenomen – niet meer verlaten zal. Zijn collega’s hebben het geweten. Het boek valt dus netjes in twee delen uiteen: 1. Pathways to Reform (alles over de jonge Luther, zijn kloosterleven, professoraat, innerlijke bewustwording, groei) en 2.  Pursuit of a Vision (alles  over zijn privé – en openbaar leven, politieke en kerkelijke hervorming, afgesloten met een mooie epiloog waarin Hendrix toch een balans probeert op te maken van Luthers betekenis en hoe hij zichzelf – misschien – heeft  beleefd. Het boek is goed leesbaar ook voor niet-theologen en niet te dik (één van de criteria die Hendrix voor een ‘goede biografie’ vooropgesteld heeft): 290 pagina’s tekst.

 

Recente boeken over Luther…

Hieronder (en in het menu) links naar besprekingen van enkele recente boeken over Luther.

NB: hiermee is niet gezegd dat oudere boeken over Luther per se slechter zijn. Het boek van Heiko Oberman, Luther, mens tussen God en duivel is nog altijd een must. Ook de voor het grote publiek bedoelde Lutherboeken van prof. dr. W.J. Kooiman zijn nog steeds heel leesbaar en betrouwbaar: Luther, zijn weg en werk en niet te vergeten Luther en de bijbel. Ook zijn bewerking van Hanns Lilje, Portret van Luther in de lijst van zijn tijd is prima. U kunt die voor een paar euro nog makkelijk vinden op de tweedehandsmarkt. Het enige nadeel van deze is dat ze soms iets te rooskleurig zijn over Luther en socio-psychologisch naïef, d.w.z. ze nemen de theologische uitspraken teveel at face value en zijn zich er niet altijd van bewust dat ook theologen maar mensen zijn bij wie er ook nog wel wat anders onderhuids kan broeien. Hier dan een selectie van recente Lutherboeken. De volgorde is toevallig (d.w.z. die waarin ik ze gelezen heb).

hendrix_Luther
Scott H. Hendrix
soderblom_Luther
Nathan Söderblom

Pettegree_BrandLuther
Andrew Pettegree

Kaufmann_LuthersJuden
Thomas Kaufmann

H.J. Selderhuis

Europa Reformata

Lyndal Roper

Hiebsch