Luther’s brief aan paus Leo X (1520)

Epistola Lutheriana ad Leonem Decimum summum pontificem

[WA 7, 39–49, Nederlandse vertaling dr. C.N. Impeta. In deze brief draagt Luther zijn geschrift over ‘de vrijheid van een christen’ op aan dezelfde paus, die hem een banbedreigingsbul heeft gestuurd. Ernst, ironie? Lees en oordeel zelf]

Te midden van de wonderlijk-vreselijke wezens van deze tijd, met welke ik nu reeds bijna drie jaren lang in aanraking kom en in strijd gewikkeld ben, zie ik mij nu en dan genoodzaakt tot u op te zien en aan u te gedenken, Leo, gezegende vader; ja zelfs, omdat men wijd en zijd het er voor houdt dat u alleen de oorzaak bent waarom ik strijd voer, kan ik niet nalaten steeds aan u te denken. Want hoewel ik door uw onchristelijke vleiers, die zonder oorzaak tegen mij woeden, er toe gedrongen werd mij in mijn zaak van uw Stoel en rechtspraak op een toekomstig christelijk-vrij concilie te beroepen – zonder bevreesd te zijn voor de zeer lichtvaardige bepalingen van uw voorgangers Pius en Julius, die zulk een in beroep gaan in dwaze tirannie verboden – zo ben ik toch in mijn gemoed nog niet zozeer van uw Gelukzaligheid vervreemd, dat ik niet met alle kracht, die in mij is, u en uw Stoel steeds het beste gewenst en dat in herhaaldelijk voor u opgezonden, hartelijke gebeden, zo veel het in mijn vermogen lag, bij God voor u heb gezocht. Het is waar dat ik hen die tot heden toe hebben gepoogd met de hoogheid van uw gezag en naam mij bang te maken en tegen te houden, begonnen ben vrijwel te verachten en mij boven hen te plaatsen. Maar naar ik zie is één ding overgebleven dat ik niet kan of mag verachten, en dit is dan ook de reden waarom ik mij opnieuw tot u richt; het is dit dat ik bemerk hoe ik ervan beschuldigd word, en men het mij ten hoogste kwalijk neemt, dat ik zo lichtzinnig zou zijn geweest, dat ik ook uw Persoon niet onaangetast zou hebben gelaten. Ik wil echter openlijk en eerlijk verklaren, dat ik mij van niets anders bewust ben, dan dat ik, zo dikwijls ik aan uw Persoon heb gedacht, steeds van u gesproken heb in goede en oprechte zin en de beste getuigenissen van u heb gegeven. Maar zou ik ooit anders hebben gedaan, dan zou ik zelf dit in generlei wijze kunnen goedkeuren en dan zou ik het vonnis van mijn aanklagers volledig onderschrijven en dan zou ik niets liever willen dan tegen mijn misdaad en slechtheid rechtdraads ingaan en mijn woord, dat bestraffing verdiende, herroepen. Ik heb u genoemd een Daniël in Babel; en hoe ik uw onschuld heel naarstig heb verdedigd tegen Silvester, die u uw eer trachtte te ontroven, moge een ieder, die het leest in overvloedige mate duidelijk zijn. Er gaat van uw zuivere levenswandel in de gehele wereld zulk een goed gerucht uit en die wandel wordt door vele hooggeleerden met zulk een roem geprezen, dat het niemand, welk een hoge positie hij ook zou bekleden, zou kunnen gelukken die op enigerlei wijze te besmeuren. Ik ben niet zulk een dwaas dat alléén ik een zodanige zou aanvallen, wie een ieder prijst. Bovendien heb ik mij altijd hieraan gehouden, en zal mij ook in de toekomst daaraan houden, om ook zulke mensen niet te bekladden die overigens bij anderen in een slecht blaadje staan. Ik wil niet graag anderen beschuldigen, terwijl ik heel goed weet dat ik ook zelf een grote balk in mijn eigen oog heb en waarlijk niet de eerste mag zijn die de eerste steen op een echtbreekster werpt. Ik ben wel scherp geweest in het aanvallen, maar in hoofdzaak op bepaalde leervoorstellingen die onchristelijk waren en heb tegen mijn tegenstanders niet zachtzinnig van mij afgebeten, maar niet vanwege hun onchristelijk leven, nee: om hun onchristelijke leer en stellingen die zij in bescherming namen; en hierover heb ik zo volstrekt niet enig berouw, dat ik integendeel het voornemen heb opgevat, met gelijke ijver en scherpte hen te blijven tegenstaan, geheel afgezien daarvan wat sommigen dan van mij zullen zeggen; en hierin is Christus zelf mij dan tot voorbeeld., die immers ook zijn tegenpartijders in niets-ontziende scherpte slangengebroed noemt, huichelaars, blinden, kinderen van de duivel; en Paulus, die van de tovenaar zegt dat hij een kind van de duivel is en vol boosheid en bedrog; en sommige valse leraars maakt hij uit voor honden, bedriegers en die het Woord van God omkeren in het tegendeel; wanneer weekhartigen en die alleen het tere eren het hadden gehoord, zouden zij ook wel gezegd hebben dat niemand zo bits en vinnig en onmatigovermoedig optrad als deze Paulus. En wie is ooit scherper van. taal geweest dan de Profeten? Maar in de tijden waarin wij leven, zijn onze oren zo kieskeurig geworden door de menigten van waanzinnige, schadelijke vleitaal-sprekers, dat, als we niet in alles geprezen worden, wij het uitschreeuwen dat men zo bits tegen ons optreedt; en omdat we de waarheid van de beschuldigingen niet ontzenuwen kunnen en daartegen geen afweer hebben, pogen we ons dan maar liever er van los te maken door het verzinsel dat de oorzaak van ons beschuldigd worden ligt in de vinnigheid, de ongeduldigheid, de onbescheidenheid van onze beschuldigers. Wat is echter de waarde van zout, als ‘t niet scherp bijt? Wat betekent de snede van een zwaard als die niet scherp genoeg is om te snijden? Zegt niet de profeet: Vervloekt is de man, die Gods gebod oppervlakkig doet en te zeer spaart?Een brief van Martin Luther aan paus Leo X

Daarom bid ik u, heilige vader Leo, dat u deze mijn verontschuldiging u wilt laten welgevallen en dat u mij stellig voor zulk één zult houden, die tegen uw persoon nooit iets verkeerds heeft ondernomen en die een goede gezindheid jegens u heeft, die u het allerbeste wenst en gunt, die ook geen twist of gekrakeel met iemand wil hebben om iemands slecht leven, maar die alleen in het geweer komt als het gaat om het Woord van Gods Waarheid. In alle dingen wil ik gaarne voor iedereen wijken, maar het Woord van God wil en mag ik niet verlaten noch verloochenen. Heeft iemand een andere kijk op mij of iets anders in mijn geschriften gelezen, die dwaalt en heeft mij niet goed begrepen. Dit is echter waar, ik heb inderdaad een aanval gedaan op de roomse Stoel, die men noemt het roomse Hof105; waarvan ook uzelf en iedereen op aarde niet kunt ontkennen, dat hij meer verdorven en schandelijker is dan ooit een Sodom of Gomorra of Babel is geweest. En zoveel ik kan inzien is er voor het vervolg voor zijn boosheid noch raad noch hulp; deze boosheid is zo bovenmate erg dat men er aan moet vertwijfelen en zij is grondloos diep. Daarom heeft het mij verdroten dat men onder de dekmantel van uw naam en onder de schone schijn van de goedkeuring van de roomse kerk, het arme volk van Christus in de gehele wereld bedroog en het schade toebracht; dáártegen heb ik mij verzet en zal ik mij opnieuw verzetten, zolang in mij mijn christelijke geest, de geest van het geloof, leeft. Niet, dat ik mij zo onmogelijke dingen vermeet, of hoop, alleen in eigen kracht, iets ten goede te bewerkstelligen in het allergruwelijkst-verwarde roomse Babel, bovenal omdat mij zoveel woedende vleiers tegenstand bieden. Maar het is zó dat ik mij een dienstknecht belijd te zijn van alle christenen, mijn broeders, wier schuldenaar ik mij weet; vandaar dat het mij betaamt hun goede raad te geven en hen te waarschuwen, opdat zij toch maar in zo gering mogelijk aantal en in zo gering mogelijke mate, verdorven worden door de roomse verwoesters. Want dit is voor uzelf toch niet verborgen gebleven, hoe, nu vele jaren lang, van Rome uit, in heel de wereld, niet anders dan verderf van de lichamen, van de zielen, van de goederen en de allerschadelijkste voorbeelden van alle boosheden de mensen gelijkelijk overspoeld en gesloopt hebben. Voor een ieder zijn tegenwoordig deze dingen, die openbaar geschieden, zo klaar als de dag. En daardoor is de Roomse Kerk, die vroeger de allerheiligste was, een moordkuil geworden boven alle moordkuilen, een boevenhuis boven alle boevenhuizen, een hoofdplaats en rijk van alle zonde, dood en verdoemenis, zodat men niet kan bedenken hoe de boosheid neg meer zou kunnen toenemen, wanneer terstond de Antichrist zelf eens verscheen. Intussen zit u, heilige vader Leo, als een schaap onder de wolven, als Daniël onder de leeuwen en met Ezechiël onder de schorpioenen. Wat kunt u als éénling uitrichten tegen zó vele woeste wangedrochten? En of ook al drie, vier geleerde, vrome kardinalen uw partij kozen, wat betekende het als u was temidden van zulke benden? U zou eerder allen door vergif omkomen dan dat u verwachten kon uit te maken welk genees- of redmiddel moest worden aangewend. Het is uit met de Roomse Stoel. Gods toorn is over hem gekomen, zonder onderbreken, tot het einde toe. Hij staat vijandig tegen, hij haat kerkvergaderingen; hij wil zich niet laten onderrichten noch reformeren, hij is bang voor reformatie, hij kan het woeden van zijn goddeloosheid niet beteugelen en moet zó wel het woord in vervulling doen gaan, dat ten aanzien van zijn moeder, het oude Babel, is gesproken door de dienst van Jeremia: “wij hebben aan Babel veel gedokterd; toch is het niet gezond geworden; wij zullen het laten varen”. Het was wel het werk van u en van de kardinalen geweest om [te pogen] dit kwaad te stuiten en te herstellen, maar deze jicht spot met het geneesmiddel; paard en wagen geven geen acht op de voerman die de teugels hanteert. Door deze genegenheid tot u geleid heb ik het altijd betreurd, beste Leo, dat u in déze tijd paus bent geworden, u, die het had verdiend in betere dagen paus te zijn. De roomse curie immers is u en uws gelijken niet waard, maar de boze geest moest paus zijn, die ook stellig méér dan u in uw Babel regeert.

Och, beschikte God het maar zó dat u, afstand gedaan hebbende van de eer – zoals ze het noemen, maar het zijn uw vijanden die u de grootste schade berokkenen, zij, die zó spreken ! – maar zou kunnen leven van een prebende108 of van uw vaderlijk erfdeel! Voorzeker, met zúlk een “eer” moest naar billijkheid niemand dan een Judas Ishkarioth en zijns gelijken, die God verstoten heeft, – zonen van het verderf – geëerd zijn! Want, zeg het mij: waartoe bent u nog van nut in het pausdom, beste Leo, dan dat een ieder, hoe bozer en vervloekter hij is, des te meer en krachtiger uw heerschappij en titel misbruikt, door er zich op te beroepen, om de lieden te beschadigen aan goederen en zielen, zonde en schande te vermenigvuldigen, geloof en waarheid te versmoren. O u waarlijk allerongelukzaligste Leo! u die daar zit op de allergevaarlijkste Stoel; waarlijk, ik zeg u de waarheid; want ik gun u het goede.

Indien de heilige Bernhardus zijn paus Eugenius beklaagt in een tijd waarin de roomse Stoel, ofschoon hij ook toen reeds ten zeerste bedorven was, toch nog met goede hoop op beterschap regeerde; hoeveel te meer moeten wij u beklagen, aangezien in de driehonderd jaren, die sedert dien verliepen, de boosheid en het verderf op zo onweerstandelijke wijze de overhand hebben genomen. Is het niet waar dat er onder de ruime hemel niets is dat meer boos, vergiftig en te haten moet heten dan het roomse Hof? Want het overtreft zo zeer de ondeugd van de Turken dat we er naar waarheid van moeten getuigen: Rome was tijden geleden een toegangspoort tot de hemel en nu is het geworden een wijd opengesperde muil van de hel en helaas zulk een muil, die, vanwege Gods toorn, niemand kan toesluiten; terwijl er maar één goede raad meer over is voor de ongelukkigen, indien we enkelen kunnen doen terugkomen en behouden, opdat zij door deze grote roomse muil niet verslonden worden.

Zie hier, mijn heilige vader Leo! Dit is de oorzaak, de drangreden, waarom ik zo geraasd heb tegen deze pestilente Stoel. Want zó zeker heb ik mij niet voorgenomen, om een hard woord tegen uw persoon te spreken, dat ik de hoop heb gekoesterd dat ik van uwentwege goedkeuring en dank zou verdienen, en dat u zelf zou erkennen dat wat ik deed, ik dat deed om uw bestwil. Immers wat ik aantastte, moedig en scherp, was: uw dusdanige kerker, ja, uw hel. Want ik houd het ervoor dat alles wat scherpzinnige en geleerde mannen tegen de zo barbaarse chaos van uw onchristelijke curie zouden kunnen inbrengen, voor u en vele anderen alleen maar goed en nuttig zou zijn. Voorzeker, zij doen een werk dat u moest doen; zij allen, die zulk een curie alleen maar leed doen en krenken. Zij allen eren Christus, zij, die deze curie het allermeest tot schande maken. Kort gezegd: zij allen zijn goede christenen, die slechte – die niet – roomse christenen zijn. Ik wil nog verder gaan: het zou nooit in mijn hart opgekomen zijn om tegen die roomse curie rumoer te verwekken of in een fel betoog tegen haar op te zetten. Want omdat ik zag dat alle middelen om te helpen geen baat konden brengen; dat kosten en moeite, tot hulp besteed, verloren zouden zijn geweest, heb ik met verachting, mij er van afgewend, haar een afscheidsbrief gegeven en gezegd: “Vaarwel, Rome-lief, láát dan maar voortaan vuil zijn wie vuil is en voortdurend onrein blijven wat daar onrein is”; en toen heb ik mij afgezonderd tot het stille, rustige bestuderen van de Heilige Schrift, opdat ik tot een zegen zou zijn voor mijn broeders, die rondom mij leven. En daar dit niet zonder vrucht bleef, deed de boze geest zijn ogen open en werd het gewaar. Vlug verwekte hij tot een onzinnige, ontembare eergierigheid zijn dienaar, Johannes Eck, een bijzondere vijand van Christus en van de waarheid, bewoog hem ertoe dat hij mij geheel onverwacht in het strijdperk trok en in een twistgesprek wikkelde en dat hij mij aanviel op een woordje, door mij over het pausdom gezegd, dat mij eigenlijk enigermate ontvallen was. Daarop wierp zich de snoevende held, hij schuimbekte van woede en knarsetandde; hij brieste, als had hij mij reeds gevangen. Hij gaf voor dat hij tot eer van God en tot lof van de heilige roomse kerk al het mogelijke wilde wagen; hij blies zich op en blufte en misbruikte uw gezag voor eigen eer; want het was hem te doen niet om het primaat van de pauselijke zetel, maar om zelf als primus van alle theologen ter wereld uitgeroepen te worden, en hij dacht dat het in niet geringe mate tot zijn roem zou bijdragen als hij doctor Luther op zijn triumftocht gevankelijk met zich zou kunnen voeren. Nu hem dit mislukte, stelt de sofist zich aan als een dwaas, want nu beseft hij dat het alleen zijn schuld is, dat schande en smaad van de roomse Stoel door mij aan het licht zijn gebracht.

En laat mij nu hier, bid ik u, heilige Vader, mijn zaak ook eens voor ú mogen brengen en uw eigenlijke vijanden bij u aanklagen. Het is u zonder twijfel bekend hoe te Augsburg de kardinaal van St Sixtus, uw legaat, met mij gehandeld heeft; stellig ongepast, onrechtmatig, ja ook onoprecht. In zijn hand heb ik, om uwentwil, al mijn zaken alzó gesteld, dat hij vrede zou gebieden. Ik wilde dan een eind aan de zaak maken en stilzwijgen, indien mijn tegenstanders evenzeer wilden stilzwijgen; en dit had hij gemakkelijk met één woord tot stand kunnen brengen. Maar de kriebeling van de begeerte naar eigen tijdelijke roem jeukte hem te zeer; hij verachtte mijn aanbod, durfde mijn tegenpartij in het gelijk te stellen, hun de vrije teugel te laten en mij te gebieden dat ik alles moest herroepen, waartoe hij geen opdracht had. Zó is het geschied, door zijn moedwillig vergrijp, dat de zaak, die tóén in het reine had kunnen worden gebracht, nu veel erger is geworden. Daarom: alles wat later daarna is gebeurd, is niet mijn schuld, maar die van deze kardinaal die mij niet gunnen wilde dat ik zou zwijgen, gelijk ik dat toch zo met nadruk verzocht. Wat moest ik toen nog doen? Daarna is de heer Karel von Miltitz gekomen, evenzeer een boodschapper van Uwe Heiligheid, die zich veel zorg heeft gegeven om heen en weer te reizen en zich veel moeite heeft getroost om de zaak weer in goede staat te brengen, nadat kardinaal Cajetanus die roekeloos en hooghartig vertroebeld had. Tenslotte heeft hij, met de hulp van zijne Doorluchtigheid, de hooggeboren keurvorst Frederik van Saksen het zóver gebracht, dat hij de zaak enige malen met mij heeft besproken. Hier heb ik mij voor de tweede maal laten overreden en er in bewilligd om ter ere van uw naam te zwijgen en goed te vinden dat de aartsbisschop van Trier of de bisschop van Naumburg de zaak zou onderzoeken en tot een beslissing brengen. Zó is dat ook geregeld en afgesproken. Toen er dus ten aanzien van deze dingen goede hoop was op vrede, viel uw grootste vijand Johannes Eck erin binnen met zijn disputatie te Leipzig die hij had georganiseerd tegen dr. Carlstadt en met zijn onberekenbare woorden neemt hij die nieuwe kwestie van wat ik gezegd had omtrent het pausdom ter hand en stelt onverwacht zijn vaandels en zijn gehele leger op tegen mij, waarmee hij het voorgenomen voorstel om tot vrede te komen geheel vernietigde. Intussen wacht heer Karel von Miltitz; de disputatie wordt gehouden; scheidsrechters worden aangewezen, maar er is niets tot stand gekomen, hetwelk mij in het geheel niet verwondert. Want Eck vertroebelde de zaak, bracht haar in verwarring en verergerde haar door zijn leugens, geveinsdheden, kunstgrepen, zendbrieven en geheime practijken zózeer, dat, naar welke zijde ook het eindoordeel zou uitgevallen zijn, nochtans zonder twijfel een groot vuur zou zijn ontvlamd; want hij zocht zijn eigen roem en niet de waarheid.

Derhalve: ik heb steeds gedaan wat mij betaamde en niets nagelaten van datgene wat ik had moeten doen. Ik erken, dat dit er de oorzaak van is dat een stellig niet klein deel van het onchristelijk wezen van Rome in het licht van de openbaarheid is gekomen; evenwel, wanneer u hier van schuld wilt spreken, is het niet de mijne, maar die van Eck, die zich een zaak heeft aangemeten, tegen welke hij niet opgewassen was; door zijn dolle eerzucht heeft hij de roomse eerloosheid in de gehele wereld aan de kaak gesteld. Deze man, heilige Vader Leo, is een vijand van u en nog meer van de Stoel te Rome. Van zijn voorbeeld alleen al kan een ieder leren dat er geen vijand is die grotere schade aanricht dan een vleier. Wat heeft hij met zijn vleitaal nu teweeggebracht, anders dan zulk een ongeluk als geen koning had kunnen te weeg brengen? De naam van de roomse Curie staat nu in een onwelriekende reuk in heel de wereld; het gezag van en de achting voor de paus is gering; het roomse onverstand heeft een slechte naam; en van dit alles zou niets zijn geschied, indien Eck niet Karels en mijn vredesvoorstel had in stukken gebroken; wat hij nu ook zelf gewaar wordt, ofschoon te laat en tevergeefs; en nu is hij verontwaardigd over de door mij in het licht gegeven boekjes. Dit had hij tevoren moeten bedenken, toen hij, gelijkend op een briesend in de renbaan losgelaten ros, alleen maar dolzinnig uit was op eigen roem en niets anders dan, in uw naam, het zijne zocht, maar tot uw zeer groot nadeel. Hij meende – de ijdele man – dat ik vrees zou koesteren voor uw naam, hem de ruimte zou laten en zou zwijgen – want ik houd het er voor: door vernuft en geleerdheid het te winnen, zou hij niet hebben durven hopen! En nu hij ziet dat ik maar al te zeer rustig in goed vertrouwen voortleef en verder van mij laat horen, komt het late berouw over zijn misslag bij hem op en wordt hij er zich van bewust – zo hij althans zich van iets bewust wordt! – dat er Eén in de hemel is, Die de hoogmoedige weerstaat en de al te vermetele geesten vernedert. Daar wij door dit dispuut niets gevorderd waren en er alleen maar méér oneer voor de Stoel van Rome uit was voortgesproten, heeft de heer Karel von Miltitz zich voor de derde maal tot de vaders van mijn Orde gewend en heeft hun raad gevraagd, met het doel om de zaak te beslechten en te bereiken dat men er over zou zwijgen, daar deze zaak nu tot een hachelijk en gevaarlijk punt was gekomen. Toen zijn enkele moedige mannen uit hun getal tot mij gezonden, die, omdat niet aan te nemen was dat men met geweld iets tegen mij (als God mij genadig was) bereiken zou, van mij hebben verlangd, dat ik, heilige Vader, uw persoon toch zou eren, en met een onderdanig geschrift uw en mijn onschuld zou aantonen. Immers zij meenden dat de zaak nog niet in een afgrond verloren lag en nog niet tot een punt, dat men aan redding moest vertwijfelen, was gebracht, indien maar de heilige Vader Leo, in overeenstemming met zijn aangeboren, hooggeroemde goedheid, zijn reddende hand ernaar wilde uitsteken. Omdat ik echter altijd vrede heb aangeboden en begeerd, opdat ik mij aan het stille en zoveel meer nut afwerpende studeren zou kunnen wijden, was dit voor mij een prettige, blijde boodschap, die ik met dankbaarheid aannam; en ik heb mij gewillig laten leiden en het als een bijzondere genade aangemerkt, indien het alzo, gelijk we hopen, zou mogen geschieden; want ik heb ook om geen andere reden zozeer met grote moed, sterke woorden en krachtige taal mijn geschriften in elkaar gezet en de gemoederen in opschudding gebracht, dan opdat ik hèn zou ontwapenen en tot stilzwijgen brengen, die, zoals ik wel zag, mij toch eigenlijk te zeer ongelijk in krachten waren om met hen als gelijkwaardige tegenstanders in ‘t krijt te treden.

Zo kom ik dan nu tot u, heilige Vader Leo, ik lig aan uw voeten en ik bid u: zo het mogelijk is, wil u uw handen tot mijn zaak reddend uitsteken en de vleiers, die de vijanden van de vrede zijn en toch voorgeven dat zij vrede zoeken, een breidel aanleggen. Dat ik echter mijn leer zou moeten herroepen, gelukzalige Vader, dáárvan kan niets komen; dit mag ook niemand zich ten doel stellen, want dan zou hij de zaak in nog veel groter verwarring brengen. Daarbij wil ik niet hebben dat er regels of maatstaven zouden zijn om de Schrift uit te leggen, omdat het Woord van God, dat de pretentie heeft vrij te zijn van al wat er vreemd aan is, niet mag of moet gebonden zijn. Indien deze twee dingen mij maar gewaarborgd blijven, dan kan overigens niets van mij gevraagd worden, dat ik niet met alle goede wil zal aanvaarden en doen. Ik ben een vijand van alle getwist en wil niemand prikkelen of tergen; maar wil óók niet geprikkeld worden. Word ik nochtans geprikkeld, dan zal ik, zo God wil, niet sprakeloos of zonder schriftelijk verweer te bieden, daartegenover staan. Moge toch uwe Heiligheid met kalme, korte woorden al dat getwist naar u betrekken en uitdelgen en daarnevens zwijgen en, naar beide zijden, vrede gebieden; woorden, waarnaar ik altijd zeer begerig ben geweest om ze te horen. Daarom, mijn heilige Vader, wil toch nooit horen naar uw zoetsappige vleiers, die zeggen dat u niet louter een mens zijt, maar aan God verwant, die alle dingen zou te gebieden en te eisen hebben. Maar het zal zó niet geschieden; u zult het ook niet winnen. U bent een dienstknecht van alle dienstknechten van God en in een meer gevaarlijke en ellendige staat dan enig mens op aarde. Laten u niet bedriegen die huichelachtig u beliegen en zeggen: u bent een heer van de wereld; die niemand als een christen willen erkennen, tenzij dan dat hij u onderworpen is; die wauwelendzwetsend verzekeren: “u hebt heerschappij in. de hemel, in de hel en in het vagevuur”. Zij zijn vijanden van u en beproeven uw ziel te verderven, zoals Jesaja zegt: “Mijn volk, zij die u prijzen en omhoog heffen, zij bedriegen u”. Allen dwalen zij, die daar zeggen: “U staat boven het concilie en boven de gewone christenheid”. Zij dwalen, die u alleen het recht geven om de Schrift uit te leggen. Zij altezamen jagen geen ander doel na dan hoe zij onder uw naam goddeloosheden in de kerk mogen inplanten en hun onchristelijke plannen in de christenheid mogen versterken, gelijk helaas de boze geest dit gedaan heeft door middel van velen van uw voorgangers. In het kort: geloof toch niemand van degenen die u verheffen, maar alleen hen die u verootmoedigen. Dit is Gods gericht, gelijk er geschreven staat: “Hij heeft de geweldenaars van hun tronen gestoten en de nederigen verhoogd”.

Zie, welk een verschil tussen Christus en Zijn Stedehouders op aarde, terwijl zij toch allen zijn Stedehouders willen zijn; en ik voor mij vrees: de meesten van hen zijn al te waarachtig Zijn “stadhouders”: want een stadhouder is een stadhouder alléén in de afwezigheid van zijn heer. Wanneer dan een paus regeert in de afwezigheid van Christus, Die niet waarlijk in zijn hart woont, is zulk één niet in al te ware zin: stadhouder van Christus? Evenwel, wat kan zulk een kerk, zulk een hoop mensen, anders zijn dan een vergadering van lieden zonder dat Christus bij hen is? Wat kan dan echter zulk een paus anders zijn dan een antichrist en een afgod? Hoeveel beter deden de apostelen, die zich alleen knechten van de in hen wonende Christus, echter niet stadhouders van de Afwezende noemden en lieten noemen? Ik ben misschien een onbeschaamde dat ik mij er op laat aanzien om iemand die zo geweldig hoog staat te onderrichten, van wie veel meer een ieder onderricht moet ontvangen en gelijk enigen van uw giftige vleiers u omhoogsteken dat alle koningen en rechters onder uw gerichtspraak staan. Maar ik volg hierin St Bernhardus in zijn boek: “Over de beschouwing”, opgedragen aan paus Eugenius, dat redelijkerwijs alle pausen zouden moeten van buiten kennen. Ik doe het heus niet met de bedoeling u onderricht te verstrekken, maar uit zuivere, trouwe zorg voor u en uit een plichtsgevoel, dat redelijkerwijze er ons toe dringt om, ten goede van onze naaste, ook ten aanzien van die dingen voor hem bezorgd te zijn, die voor óns beveiligd vaststaan, en ons niet toelaat te letten op waardigheid of onwaardigheid, maar dat veelmeer nauwgezet rekening houdt met de vraag of de naaste al dan niet in gevaar verkeert. Daar ik nu weet hoe Uwe Heiligheid te Rome reilt en zeilt, dat wil zeggen: midden in zee, op de hoogste toppen van de golven, terwijl talloze gevaren van alle zijden op u aanstormen en u in zulk een noodtoestand leeft en arbeidt, dat u ook de geringste hulp van de allergeringste christen wel dringend nodig hebt – zo heb ik het als niet onjuist gezien dat ik uw majesteit maar zolang vergeet, tot ik in liefde mijn broederplicht jegens u zal hebben volbracht. Ik heb er geen lust in om te vleien in zulk een ernstige, gevaarlijke zaak, in welke, indien sommigen niet willen begrijpen, dat ik uw vriend en u méér onderdanig dan de onderdanigste ben, er toch wel Eén zal worden gevonden, die het verstaat en goedkeurt. Eindelijk, opdat ik voor Uw Heiligheid niet kom te staan met lege handen, breng ik met mij mee een boekje, onder uw naam uitgegeven, om een goede wens voor u uit te spreken en bedoeld als begin van en goede wil tot de vrede tussen u en mij, en met een goede hoop dat Uwe Heiligheid daaruit moge proeven, met wat voor zaken ik mij gaarne en met meer vrucht wil bezig houden, als het mij mogelijk zou zijn vanwege uw onchristelijke vleiers en het mij tot nog toe mogelijk is geweest. Het is een klein boekje als u het uiterlijke aanziet en op de omvang let, maar toch, zo ik mij niet vergis, is de gehele hoofdsom van het christelijk geloof hierin begrepen, indien maar de bedoeling ervan goed wordt verstaan. Ik ben arm; ik heb niets anders, waarmee ik u van dienst zou kunnen zijn; maar u hebt ook niets anders nodig dan om met geestelijke goederen te worden verrijkt. Hiermee beveel ik mij Uwe Heiligheid aan, die Jezus Christus voor eeuwig moge behoeden! Amen.

Wittenberg, 6 Sept. 1520