Luther en ‘zijn Joden’ (Thomas Kaufmann)

Thomas Kaufmann, Luthers Juden. Reclam 2014. 203 blz. € 22,95. ISBN 783150109984.

Kaufmann_LuthersJuden

Een heikel punt in elk Lutherbiografie is altijd weer de verhouding van Luther tot de Joden. De specialist ter zake is Thomas Kaufmann, kerkhistoricus te Göttingen. Hij schreef hierover in 2014 een boek dat in 2015 in tweede ‘verbeterde’ druk verscheen bij Reclam. Een klein boekje, 180 bladzijden tekst en 20 pagina’s bronnen- en literatuurverwijzing. Iedereen die in het Lutherjaar over dit onderwerp een uitspraak wil doen (of moet doen), die leze eerst dit boek. Kaufmann beheerst de materie volledig. In zijn analyse van het materiaal betrekt hij naast de inhoud van de tekst, ook de ‘stijl’ en het lezerspubliek dat Luther zich voorstelde (intended readers). Geen andere zestiende-eeuwer kon opbouwender en vernietigender schrijven dan Luther. Hij wist op dat punt wat hij deed. Kaufmann geeft ruim aandacht aan de Wirkungsgeschichte van deze Lutherse output die zoals iedereen weet bepaald niet harmlos was. Ook dit doet hij als wetenschapper, dat wil zeggen zo compleet, zo historisch en zo inter-disciplinair mogelijk. Belangrijke observatie hierbij is dat Luthers uitspraken over de Joden langer doorwerken dan van veel van zijn tijdgenoten, juist omdat theologen en gelovigen Luther vaak niet als een gewone zestiende-eeuwse man zien, maar – larger  than life – als een kerkvader, een Reformator. Dat betekent dat zijn geschriften en uitspraken niet enkel historisch interessant zijn, maar door velen nog steeds gelezen (en populair samengevat) worden als ‘boeken voor vandaag’. Luther is voor veel Lutheranen een monument wiens gedachten op elk moment van de geschiedenis ‘zeitgemäss’ kunnen zijn, een soort eeuwige tijdgenoot. Bizar eigenlijk. Het is alsof je voor een kwaal van vandaag een arts van toen zou raadplegen. Kaufmann probeert snelle oordelen te vermijden. Die lopen het risico juist in hun afwijzing van Luthers gedachten te oppervlakkig te zijn. Ze worden geboren uit ‘schrik’ en ‘afschuw’ die iemand bevangt als hij leest wat Luther schrijft. Juist daarom komen ze er niet toe om de diepte van Luthers gedachtegangen te peilen. En als je de wortels niet vindt, herken je uitlopers hiervan in andere theologische uitlatingen evenmin. Kaufmann graaft diep en probeert heel precies weer te geven wat Luther gedacht, gezegd, geschreven heeft en hoe zijn redeneringen (zowel rationeel als irrationeel) verlopen. Hij laat het Luther ook geregeld zelf zeggen, middels lange Duitse (of vanuit het Latijn in het Duits vertaalde) citaten. Onderwijl schildert hij de toenmalige context, weegt de doorwerking van het pre-moderne populaire antisemitisme bij Luther, zoekt naar bronnen, aanleidingen, inspiratie die Luther gehad kan hebben. Hij confronteert Luthers opvattingen met wat in zijn dagen ‘standaard’ algemeen anti-semitisme en kerkelijk anti-judaïsme was. Ook schetst hij de receptie van Luthers uitlatingen bij zijn tijdgenoten (dit zijn verrassende stukken, want Luther vaart hier duidelijk op eigen élan en schrijft niet ‘op verzoek’). Zo probeert Kaufmann Luther zo dicht mogelijk op de huid te komen: Wat bewoog hem te schrijven wat hij schreef, waarom schreef hij het zoals hij het schreef? Enerzijds wordt het klassieke beeld van Luther bevestigd: Luther die in de beginjaren (Dass Jesus Christus ein geborener Jude sei (1523)) aanstuurt op een bekering van de Joden (apocalyptisch-eschatologische eindtijdverwachting, Romeinen 11) en dus – for the sake of the argument – pleit om de Joden te dulden in de Duitse landen. Als de propaganda c.q. bekeringsactie niet het beoogde effect heeft, d.w.z. als zijn vriendelijke aanbod om Joden als mensen en niet als honden te behandelen, niet leidt tot hun bekering, is het voor Luther duidelijk. Ze zijn nog minder dan de honden. Zij horen bij de tegenstanders van Christus. En hier is Luther heel zeker. Hij heeft immers – en dit klopt met het zelfbeeld dat ook in de twee eerder genoemde boeken naar voren komt – met de ‘reformatorische ommekeer’ in de theologie (terug naar de Bijbel) en in zijn ‘pleidooi voor maatschappelijk tolerantie voor de Joden’ gedaan wat hij kon. Als de Joden deze uitgestoken hand niet aannemen en Jezus als Messias omarmen, dan is hun ware aard eens en voorgoed zichtbaar geworden. Welnu, de bekering komt er niet, ergo: ze zijn duivelskinderen (Joh. 8,44 is cruciaal voor Luther). In de jaren 1530 begint dan de frontale aanval op de Joden: Wider die Sabbather (1538), geboren uit een irrationele angst dat de Joden hem klanten zouden afsnoepen; Von den Juden und ihren Lügen (1542/43), vom Schem Hamphoras (”het meest woeste en qua taal gebruik smerigste boek dat Luther ooit geschreven heeft”, p. 134) en Von den letzten Worten Davids, beide in 1543. Dit laatste publicatieoffensief komt duidelijk voort uit Luthers’ eigen aandrift. En als Kaufmann de diepste drijfveer probeert te vatten, dan stuit hij op Luthers Schriftopvatting, namelijk dat de hele Bijbel, ook het Joodse deel, de mens naar Christus heen moet drijven (Christum treibet), wat de Joden dus de facto en de doctrina falsifiëren. Luther stoffeert de aanval op de Joden met materiaal uit de anti-joodse literatuur van zijn dagen, aangelengd met toen populaire vormen van anti-semitisme, die zoals Kaufmann het noemt ‘proto-rassistische’ trekken hebben, waarbij ‘proto’ niet wijst op verminderde intensiteit, maar enkel temporeel en sequentieel is bedoeld. Dat stuk van Luthers geschriften viel de tijdgenoten niet op. Dat was gewoon the usual stuff. Luthers oordeel dat hij op grond van dit ‘weten’ vormt, is echter door en door theologisch bepaald en verbonden met de kern van Luthers theologie. Het is het fundament onder zijn denken, leven en geloof: Als je het Oude Testament leest, zo meent Luther (en hij moet het wel geloven, want anders stort zijn wereld als een kaartenhuis in elkaar), dan kom je tot het inzicht dat Jezus de Christus is. Joden zijn dus verhard, verblind, ‘satanskinderen’, want zij kunnen het Oude Testament lezen, beter dan wie ook want het Hebreeuws is hun moedertaal. Nochtans weigeren ze de volgens Luther de logische noodzakelijke conclusie uit die lezing, nl. dat Jezus de Messias is. Daarom moet Luther zijn tijdgenoten voor de Joden waarschuwen. Daarom krijgen de christelijke Hebraisten de wind van voren. Omdat ze teveel aandacht besteden aan de rabbijnse uitleg van bijv. de Psalmen (historisch, niet christologisch) laten ze zich inpakken door die duivelskinderen. Het moet 100% Christusverkondiging zijn. Wie dat niet daarin leest, ‘judenzt zuviel’. Vooral Sebastian Münster moet het ontgelden. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat bijv. Heinrich Bullinger (Zürich) en Andreas Osiander (Lutherse Hebraist) hun ongenoegen laten blijken over Luthers anti-joodse publicaties. Osiander doet dit zelfs expliciet in een hebreeuwse brief gericht aan de joodse filoloog Elias Levita. Als dit in Wittenberg bekend wordt, schermt Melanchthon Luther af van deze berichten, omdat hij een vreselijke explosie vreest. Fijntjes merkt Kaufmann hier op, dat Melanchthon Luther op dit punt dus eigenlijk behandelde als iemand die ‘beperkt ontoerekeningsvatbaar’ is. Na dit kernhoofdstuk over Luther’s böse Schriften volgt nog een hoofdstuk over de receptiegeschiedenis van Luthers geschriften (en houding) van de zestiende eeuw tot heden om dan in een kort hoofdstuk de lijnen door te trekken en te evalueren. Kaufmann betreurt dat de EKD weer het konterfeitsel van Luther als logo heeft gekozen voor 2017. De reclamejongens zullen dit wel voorgesteld hebben, maar hiermee loopt de kerk het risico dat andere actoren en groepen uit de beginperiode van de Reformatie opnieuw buiten beeld blijven. Anderzijds is dit misschien dan de kans voor de kerk om Luther nu eens voorgoed naar waarde te schatten, dat wil zeggen te ‘historiseren’, in zijn eigen tijd te plaatsen en hem daar waar te nemen. Hij houdt tenslotte een pleidooi om Luthers eigen wens te respecteren aangaande zijn geschriften. Luther wist van zichzelf dat hij een ‘feilbaar mens’ was en een ‘magis rhetoricus’ (een term die pejoratief klinkt: een ‘zwetser’, een groot-spreker) en verwachtte dat zijn boeken niet ‘lang zouden blijven’. Naast de Bijbel en Melanchthons Loci communes hoefden van  zijn werk enkel wat bijbelcommentaren te blijven. De rest van zijn geschriften ‘leze men enkel pro historia, om te zien hoe het allemaal begonnen is’. Bij die wens sluit Kaufmann zich aan.

 

Dick Wursten